Minder praten, minder diep graven en toch problemen oplossen... werkt dat?
`Je moet erover praten.' Dat was vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw de remedie voor alle kwalen. De laatste jaren maken lange praatsessies bij de psychotherapeut plaats voor kortdurende hulp, soms zelfs per Internet. Kun je met minder praten toch je problemen oplossen?
  auteur Marjo van Soest in Opzij januari 2005. De uitspraken in dit artikel over kortdurende therapie versus psychoanalyse zijn ontleend aan interviews van Marjo van Soest met de betrokkenen die in 2002 verschenen in Vrij Nederland (`psychotherapie: luxe of noodzaak').

Nog maar dertien jaar was Virginia Woolf toen haar moeder stierf. Tot haar vierenveertigste was de schrijfster, naar eigen zeggen, door deze vrouw geobsedeerd. Mrs Ramsay, het belangrijkste personage in Naar de vuurtoren, heeft model gestaan voor die voortreffelijke moeder. Virginia Woolf schreef het boek haast in trance en toen het eenmaal af was, was de obsessie voorbij. 'Ik hoor haar stem niet meer. Ik zie haar niet meer,' schreef ze in haar schrijversdagboek. En: 'Ik neem aan dat wat ik voor mijzelf deed datgene is wat psychoanalytici voor hun patiënten doen. Ik verwoordde een heel lang en diep gevoelde emotie. En in de verwoording lag de verklaring, waardoor de emotie tot rust kwam.'

Woorden, wie zal hun belang ontkennen? Je kunt iemand er dodelijk mee beledigen, maar woorden kunnen emoties ook bezweren. Hoe dat werkt, zullen we nooit precies weten. Dat is het mooie van kunst en van psychotherapie: je moet ervoor openstaan, en helemaal zonder magie gaat het niet.
Zoeken naar zelfkennis is ook zoeken naar een verhaal over jezelf. Een versie van de werkelijkheid waaruit je genoeg energie kunt putten om met jezelf te leven. Soms moet je woorden uitspreken om te ontdekken wat ze betekenen. Dat overkwam me toen ik eens een nooit verstuurde brief aan mijn vader moest voorlezen. Mijn vader was toen allang dood. Plotseling gestorven aan een hartaanval. Uit ons midden weggerukt, zoals dat heet in de overlijdensberichten. Zo'n dood waarmee je je nooit helemaal kunt verzoenen, omdat alles ongezegd is gebleven.
De brief begon huiselijk en onschuldig, werd allengs wanhopiger en bozer, en eindigde verdrietig. Het epistel kwam in een lade terecht en ik dacht er nooit meer aan. Tot ik, veel later, me ongelukkig en eenzaam voelde en in psychotherapie ging. Tijdens een van de zittingen kwam de brief ter sprake, en de psychiater vroeg of ik hem de volgende keer wilde meenemen. Toen ik hem de week daarop enigszins beschroomd de gekreukte velletjes toeschoof, bleef hij me strak en zwijgend aankijken. Zo kwam ik er niet vanaf. Voorlezen moest ik. Het was een tekst die ik makkelijk in een paar minuten tijd had kunnen voorlezen, maar het duurde een kwartier, want herhaaldelijk werd ik overvallen door gênante, overrompelende en onflatteuze huilkrampen. Ik weet nog dat de psychiater me na afloop wat onhandig in mijn jas hielp. We stonden te schutteren in een klein halletje met een grote kapstokspiegel. Ik zag mezelf: rode gezwollen ogen, een rode glimneus en dan ook nog in mijn eentje in de tram van Buitenveldert naar huis. Ik vervloekte de man die dit had veroorzaakt. Maar die nacht sliep ik verrukkelijk. Uitgeput, maar zo voldaan als iemand die op eigen kracht een flinke lap grond heeft omgespit.
Voor het eerst in mijn leven had ik al mijn ambivalente gevoelens over mijn vader hardop uitgesproken. En nog wel in het bijzijn van een ander, die alleen maar luisterde. Die het niet belachelijk vond dat ik een brief aan een dode had geschreven. Die me niet zwak vond omdat ik hulp nodig had. Ik hoefde me niet langer te schamen. De woorden hadden hun heilzaam werk gedaan.

Psychotherapie is, onder veel meer, een spel met woorden. Spreken maar ook schrijven over je trauma of onverwerkte probleem helpt. Ik denk aan mijn eigen ervaring, maar ook aan het spectaculaire succes van therapie via internet, die bij niet al te ernstige trauma's verrassend effectief blijkt te zijn.
Je lost er alleen het probleem van de schaamte niet mee op, zeggen de critici. Want psychotherapie gaat, behalve over woorden, vaak over schaamte. Zonder een echte vis-à-vis relatie met een therapeut gebeurt daar weinig mee.

Zoals psychoanalyticusWouter Gomperts me een aantal jaren geleden vertelde in een interview voor Vrij Nederland: `Zodra de schaamte en de angst echt gaan opspelen, is de internettherapie gelukkig alweer afgelopen.'
Vroeger spraken mensen niet of nauwelijks over hun psychisch ongerief. De generatiekloof van de jaren zestig liet duidelijk zien waar de scheidslijn liep: je had de sprekende en je had de zwijgende generatie. De ouders van de babyboomers waren monumentale zwijgers. Het was de laatste generatie die indrukwekkend kon zwijgen over tegenslagen en tobberijen. Ze hechtten er ook geen enkele psychologische betekenis aan. Verlichting voor hun narigheid vonden onze ouders soms bij dominee of pastoor, en verder droegen ze veelal zwijgend hun lot.
`Met praten verander je niks,' zei de jongste zuster van mijn moeder altijd. Ze belandde in de jaren veertig van de vorige eeuw in het jappenkamp en verloor daar haar eerste baby. De rest van haar lange leven zweeg ze over die verschrikkelijke ervaring. De lichamelijke klachten die ze later kreeg, de migraine, de slapeloosheid - het werd lijdzaam doorstaan. Toen er rond haar vijftigste een reisfobie bij kwam, ging ze gewoon niet meer op reis.
Voor haar en haar tijdgenoten kwam de opmars van de geestelijke gezondheidszorg en de daarbij behorende praatcultuur te laat. Ze werd oud en ze was een gewetensvolle en zorgzame moeder, waaruit je kunt afleiden dat ze sterk en flink was. Maar in het laatste jaar van haar leven had mijn tante nachtmerries waarbij zij 's nachts door het huis dwaalde, op zoek naar haar gestorven baby. De vraag of zij de migraine, de fobie en de nachtmerries niet gehad had als zij eerder had gepraat, is niet te beantwoorden. Wel weet ik zeker dat het beter voor haar was geweest als zij dat wel had gedaan en erkenning voor haar lijden had gekregen. Dat mijn tante voor opgroeiende dochters onbegrijpelijk hard kon zijn, een hardheid die niet paste hij haar zorgzame aard, bracht zijzelf nooit in verband met haar verlies. Gerouwd om haar baby had ze nooit. Naar de zielendokter wilde ze niet, dat kneuzen.
Vanaf de jaren zestig werd `je moet erover praten' de remedie voor alle kwalen. Het vermogen tot hardop uitgesproken zelfreflectie is inmiddels doorgedrongen tot brede lagen van de bevolking. We praten over onze relaties, onze ouders, onze seksuele problemen, onze gevoelens. En na grote en kleine rampen praten we in crisiscentra over onze nare ervaringen.
Tegenwoordig vinden we het belangrijk om te weten wat er in onszelf omgaat. Als je weet wat je drijft en bezielt, heb je jezelf beter in de hand en ben je minder afhankelijk van het oordeel van anderen. In twintig jaar tijd is de clientèle van de instellingen voor geestelijke gezondheidszorg meer dan verdrievoudigd en de groei lijkt nauwelijks te stuiten. De therapievormen veranderen wel. Toen ik vijftien jaar geleden een serie interviews maakte met psychotherapeuten uit verschillende scholen was ik gefascineerd door de doeltreffendheid van het blootleggen met behulp van woorden. Vooral de psychoanalyse sprak tot mijn verbeelding. `De mens is slaaf van zijn bestaan door onbewuste motieven, en meester over zijn bestaan door bewuste motieven.' Dit soort uitspraken, opgetekend uit de mond van een der geïnterviewden, prikkelden mijn fantasie. Ik begreep eruit dat je door stevig en lang in therapie te gaan en je jeugd opnieuw te beleven, in de buurt kon komen van de geheime informatie die lag opgeslagen op de bodem van je bewustzijn en die stiekem de regie van je leven had overgenomen.
Maar net als in sprookjes was de weg naar bevrijding lang en moeizaam. Om bij die geheime informatie te komen, moest je je overgeven aan de therapeut, veel praten en vooral over veel tijd en geduld beschikken.
De interviews leerden me ook dat gesprekstherapie niet zaligmakend was. Ook non-verbale technieken bleken te werken, net als een combinatie van beide. Psychiater en danstherapeute Charlotte Querido vertelde me indertijd dat ze altijd begint met gesprekstherapie, omdat mensen veel makkelijker over hun gevoelens kunnen praten dan ze te tonen. Gesprekstherapie kent volgens haar beperkingen en gevaren. Met woorden wordt vaak om de kern heen gedraaid, zo niet gelogen. `Een goede therapeut doet alles om dit te voorkomen, maar dat kost moeite, heel veel moeite. Het gebaar kan niet liegen. Het vertelt van de, meestal verdrongen, gevoelens. Het gebaar is ons net iets te slim af. Het verraadt ons. Het gebaar is in eerste instantie een instrument van het gevoel, het woord van het verstand.'
De vrije dans, zegt Querido, werkt woordeloos en diep. Daarom danst ze met haar cliënten, om ze weer in contact te brengen met hun vergeten verlangens. `Alles wat verstard is geweest, komt weer in beweging’.
Het geloof in de bevrijdende macht van het woord is tanende. Niet toevallig liggen vooral de langdurige gesprekstherapieën de laatste jaren zwaar onder vuur. De belangrijkste reden ligt voor de hand: de Riaggs worden al jaren geconfronteerd met zoveel acute problemen dat het psychotherapeutisch aanbod een steeds lagere prioriteit krijgt. Voor zwervers, junks en asielzoekers met wanen is langdurige gesprekstherapie niet geschikt. Het beleid is steeds meer gericht op hulp aan die zware gevallen, simpelweg omdat ze voor de meeste overlast zorgen. Dat gaat ten koste van de `gewone' neurotici, de gemotiveerde hulpzoekers, die steeds meer in het dure vrije circuit terechtkomen. Langdurige therapieën worden steeds meer als omslachtig en tijdrovend gezien. Men vraagt zich in toenemende mate af of geestelijke gezondheid alleen te realiseren is door in langdurige praatsessies op zoek te gaan naar onbewuste conflicten.
De laatste jaren is naarstig gezocht naar nieuwe, veel kortere therapievormen. Giel Hutschemaekers, onderzoeker en psycholoog, heeft veel contact met behandelaars die werken volgens het vijf-gesprekkenmodel. Hijzelf gelooft er heilig in. Minder praten, minder diep graven en toch problemen oplossen: hoe werkt dat?

Hutschemaekers: `Door iemand aan te spreken op zijn gezonde kanten. Op de mechanismen die hij of zij al een heel leven heeft gebruikt om zich staande te houden.'
Maar de betrokkene heeft toch juist hulp gezocht omdat die mechanismen niet meer werkten? Dat is waar, zegt Hutschemaekers, maar als iemand weer vijf jaar vooruit kan na vijf gesprekken, dan hoor je hem niet klagen.
Hutschemaekers vindt ook dat het psychoanalytisch discours zijn kracht goeddeels heeft verloren. `Niet omdat het niet deugt, maar juist omdat het zo goed heeft gedeugd. De psychoanalyse heeft ons een aantal problemen zo goed leren begrijpen, dat je er niet meer van schrikt. De impact is sterk verminderd. Psychoanalyse is een psychische realiteit geworden die ik bij mezelf beleef en bij anderen kan zien. En dan verliest zij haar rituele kracht.'
De psychoanalytici zien hun gedachtegoed bedreigd en wijzen erop dat hun vak juist is meegegroeid )net de tijd. De moderne analyticus is veel meer aanwezig in de therapie. De meesten bespreken tegenwoordig wat er in de behandeling tussen hen en de patiënt gebeurt. Het beeld van de analyticus die als een neutrale spiegel een oud ideaal uitdraagt, klopt volgens hen allang niet meer. Ook benadrukken analytici dat bepaalde conflicten alleen via psychoanalyse kunnen worden ontrafeld omdat je ze anders niet te pakken krijgt. Vaak gaat het om ingewikkelde problematiek die van de ene op de andere generatie wordt overgedragen. Mensen met oorlogsverledens, zelfmoorden in de familie, geheimen, onopgeloste afhankelijkheid van een soms al lang overleden ouder.
De psychoanalytici betreuren het zeer dat de overheid geneigd is de psychotherapie uit de RIAGGS weg te duwen. Wouter Gomperts wijst erop dat de stille, angstige mensen, die niet zo dramatisch en zichtbaar lijden maar wel helemaal zijn vastgelopen, nu buiten de boot vallen. Zeker, er zijn problemen die met een kortdurende therapie zijn op te lossen. `Maar als het gaat om het ontbreken van wezenlijk vertrouwen in anderen, waardoor je je leven lang geen intimiteit kunt verdragen, je angstig en eenzaam voelt, dan kom je er niet uit in vijf zittingen.'

Nu lijkt het alsof psychoanalyse vooral draait om woorden, terwijl iedere analyticus weet dat dit niet waar is. Het gaat, onder meer, net zo goed om de stilten. Zwijgen is ook een manier om dichter bij de waarheid te komen. Sterker nog: zonder zwijgen lukt dat niet. `Zwijgen geeft gewicht aan woorden en men zou kunnen zeggen dat de aard van de stiltes de kwaliteit van het gesprek bepaalt,' zegt psychoanalyticus Harrie Stroeken. In zijn Nieuw psychoanalytisch woordenboek noteert hij dat zwijgen door de analyticus `een uiting van respectvol luisteren kan zijn, maar ook een uiting van agressie of domheid tegenover een cliënt die er steeds angstiger van wordt, achterdochtiger of wrokkiger, of die zich nog meer gaat schamen'.
Een zwijgende cliënt kan op van alles duiden: wantrouwen, verlegenheid, schaamte, verwarring. Iedereen die ooit zelf in therapie is geweest, kan het lijstje aanvullen.
Wie beweert dat spreken louter goud is? Rappe praters kunnen een scherm van woorden optrekken en daarmee veel verhullen. Net als in het echte leven geldt ook in de therapie: wie niet weet te zwijgen, kan beter zijn mond houden.

 

 

Boeken over het kiezen van een geschikte therapie, vindt u hier.

 
   
Marjo van Soest Andermans Ziel. Psychotherapeuten over zichzelf en hun vak, Nijgh & van Ditmar (nog alleen in de bibliotheek of tweedehands verkrijgbaar). In dit boek vertelt psychiater Charlotte Querido meer over haar danstherapieën.