Rouw

Volgens een populair geloof is het ongezond verdriet op te potten. Wanneer iemand een ernstig verlies heeft geleden is het goed daarover te praten. Een stukje professionele rouwbegeleiding is onmisbaar. Deze denkbeelden zijn terug te voeren op Freud. Hij verzon een model van de menselijke geest dat was gebaseerd op het indrukwekkendste apparaat van die tijd, de stoommachine. De menselijke psyche was als een vat vol stoom waaronder een vuurtje brandde. Er waren uitlaatkleppen en veiligheidsventielen nodig anders klapte de boel uit elkaar. Alle emotie moest geuit worden anders liep de gezondheid ernstige schade op. Bij het eerdere model van de mens, de klok, was dat nog niet zo. Je kon opgewonden zijn, of van slag, maar ontploffingsgevaar was er niet. Latere modellen, zoals de radio en de computer kenden dit gevaar ook niet. Als je maar op de goede golflengte zat en je harde schijf voldoende ruimte had, kwam je er wel.
Freud's theorieën waren niet gebaseerd op empirisch onderzoek. Nu dat wel gebeurt blijft er weinig van zijn bedenksels heel. Van professionele rouwbegeleiding staat inmiddels vast dat die averechts werkt. De Amerikaanse psycholoog George Bonanno van de Columbia University schreef een overzichtsartikel over een groot aantal gepubliceerde onderzoeken naar de effectiviteit van rouwbegeleiding. In dit artikel, in het tijdschrift Applied and Preventative Psychology, concludeerde hij dat er geen positief effect optrad, terwijl een derde van de mensen er ongelukkiger van werd. Door steeds over het verlies te praten duurde de rouwperiode langer.

Na de dood van de partner is een depressieve periode gewoon. Deze duurt gewoonlijk één tot drie jaar. Professionele begeleiding heeft daar geen positief effect op.
Opvallend was dat in ongeveer de helft van de gevallen de achtergeblevene geen enkel uiterlijk teken van verdriet toonde. Door de omgeving wordt zo'n houding vaak veroordeeld. De persoon in kwestie wordt als liefdeloos in de hoek gezet. Ook dokters en psychologen achten een dergelijke houding disfunctioneel. Door het verdriet niet te uiten zou het niet 'verwerkt' kunnen worden. Dit blijkt in de praktijk precies andersom te zijn. Hoe minder mensen bezig zijn met hun verdriet, hoe sneller ze er over heen zijn. Bovendien hebben de binnenvetters minder gezondheidsproblemen.

Een ander onderzoek door de Duitse onderzoekers Margaret en Wolfgang Stroebe bevestigt deze bevindingen. In een recente uitgave van de Journal of Consulting and Clinical Psychology schrijven zij dat weduwen en weduwnaars die hun gevoelens steeds bespraken en opschreven er slechter aan toe waren dan anderen die het verdriet niet bespraken. Om te voorspellen hoe snel iemand over zijn verdriet heen zou zijn kon beter een "identiteits continuiteit" bepaald worden. Hiermee werd het vermogen bedoeld door te gaan met het leven ondanks het overweldigende verlies.
Deze bevindingen staan niet op zichzelf. Bij veel vormen van psychotherapie, waarbij praten over problemen heilzaam geacht wordt, treden vergelijkbare effecten op. Door deze activiteiten gaan de problemen een eigen leven leiden, worden verwoord en gedefinieerd. Hierdoor wordt het steeds moeilijker er afstand van te nemen. Langzamerhand begint duidelijk te worden dat zulke bezigheden niet alleen nutteloos zijn, maar zelfs schadelijk.
De divan van Freud was goed voor de stoommachine mens. Daar kon de opgestookte geest de uitlaatkleppen openen en stoom afblazen. Wij zijn inmiddels gemodelleerd naar de computer en kunnen beter ons verdriet trachten te deleten en overschakelen naar een ander programma.

   
 
 
   
  Lieve oma

In Darwin's wereld fonkelde het bloed op tand en klauw. Door een constante strijd om de schaarse middelen bleven de best aangepaste individuen in leven en kregen de kans zich voort te planten. Deze strijd gold alle leven. Ook planten trachten elkaars licht en voedingsstoffen weg te kapen. Ook op microniveau zou dit opgaan. In de zeventiger jaren liet Richard Dawkins weten dat de natuurlijke selectie een proces was waarbij zelfzuchtige genen in continue gevecht met elkaar trachtten te overleven. Voor overleven was een berekenende en nietsontziende zelfzuchtigheid voorwaarde.
Biologen hadden dan ook moeite met observaties van gedragingen die altruïstisch leken. Dieren die alarm sloegen bij nadering van een roofdier en op die manier de aandacht op zichzelf richtten, zouden eigenlijk niet horen te bestaan. De dieren die hun kop hielden hadden immers een veel grotere overlevings- en voortplantingskans. Biologen trachtten dan ook verklaringen te vinden die lieten zien dat gedrag dat altruïstisch leek dat helemaal niet hoefde te zijn. Door de waarschuwende kreet kon het moedige dier weliswaar zelf de dupe worden van zijn gedrag, zijn verwanten hadden een grotere overlevingskans, zodat de genen zich konden blijven verspreiden. Ook kon er sprake zijn van handel, met dienst en wederdienst. Eigenlijk zelfzuchtig gedrag. Biologisch altruïsme was dus wel weg te verklaren. Maar vanuit de psychologische kant was dat moeilijker. Soms leek het erop dat mensen het belang van anderen werkelijk lieten prevaleren boven het eigen belang. Maar ook hier zou sprake moeten zijn van een vergissing. Het vriendelijk stemmen van de medemens kon wel degelijk uit eigen belang gebeuren en verder was het bekend dat goed doen een warm gevoel geeft. Het najagen van warme gevoelens was per slot puur hedonistisch.
Op deze wijze leek liefheid en goedheid adequaat wegverklaard. Gelukkig is deze exercitie niet meer nodig. Wellicht biedt aardigheid toch evolutionair voordeel. Psychologen van de Universiteit van Michigan hebben uitgevonden dat ouderen die hulp geven en voor iedereen een luisterend oor hebben, langer leven dan ouderen die niet helpen en anderen geen emotionele steun geven. Een lieve oma of opa is een langer leven beschoren dan een chagrijnige oude zeurkous. De eerste groep loopt zestig procent minder kans om te sterven.
Altruïstisch gedrag vergroot de overlevingskans rechtstreeks. In de Psychological Science van 2003 rapporteerde Stephanie Brown over dit onderzoek waarbij vijf jaar geleden 425 oudere echtparen werden geënquêteerd. Bekeken werd in welke mate deze ouderen hulp gaven, dan wel ontvingen. Nadat gecorrigeerd was voor een aantal factoren, bleek het ontvangen van hulp niet samen te gaan met een kleinere kans op overlijden, maar het geven van steun des te meer. "Als geven van hulp in plaats van ontvangen je levenskansen vergroot", aldus Brown,"moeten we ons misschien gaan afvragen of we in de ouderenzorg niet meer moeten gaan benadrukken dat ouderen vooral moeten steunen in plaats van dat ze gesteund moeten worden".
In onze vergrijzende maatschappij zijn hiervoor vele mogelijkheden. Gewoonlijk wordt gedacht dat mensen in hun laatste hulpbehoevende levensjaren door jongeren verzorgd moeten worden. Hoewel het karaktervormend zou kunnen zijn wanneer daarvoor een sociale dienstplicht zou worden ingevoerd, heeft de optie dat ouderen voor elkaar zorgen ook grote voordelen. Niet alleen blijven de verzorgers gezonder, ook de verzorgden profiteren. Zij zullen immers een beter contact hebben met leeftijdsgenoten dan met laag opgeleide jongeren. En goede sociale contacten hebben grote invloed op gezondheid en welbevinden.

   
 
 
   
  Fijn grijs

Mensen die optimistisch zijn over verouderen leven langer. Becca Levy en collega's, epidemiologen van de Amerikaanse Yale University, bestudeerden de uitkomsten van een vragenlijst die 23 jaar geleden was afgenomen door onderzoekers uit Ohio. Daarin moesten mensen reageren op meningen als: "Wanneer je ouder wordt, wordt je minder nuttig". Gekeken werd hoe oud de diverse respondenten geworden waren. Daarbij werd gecorrigeerd voor factoren als geslacht, welstand, leeftijd, gezondheid en eenzaamheid. Het bleek dat mensen die positief aankeken tegen de ouderdom gemiddeld 7,5 jaar ouder werden dan mensen die daar negatieve ideeën over hadden. Dat is behoorlijk veel. Met het verlagen van je bloeddruk of cholesterolniveau haal je zo'n winst niet. Zelfs stoppen met roken levert niet zoveel extra levensjaren op. Becca Levy wijst er in haar artikel in de Journal of Personality and Social Psychology op dat deze uitkomsten er ook op wijzen hoe demoraliserend verouderen in de westerse wereld geworden is. Niet alleen psychologisch maar klaarblijkelijk ook fysiek.
Historisch gezien is deze demoralisatie begonnen tijdens de industriële revolutie. In de eerste fabrieken in het begin van de negentiende eeuw was de gemiddelde levensverwachting in steden als Manchester 17. Dit was grotendeels het gevolg van de gruwelijke kindersterfte. Verder werden slechts heel weinig arbeiders werden oud. Dat was maar goed ook, want ze werden genadeloos het productieproces uitgeknikkerd wanneer ze wat minder begonnen te presteren. Voorzieningen waren er niet. Ouderen waren de laatste groep voor wie enige vorm van sociale zekerheid gecreëerd werd. Tot ver in de twintigste eeuw was alle kennis die de wetenschap meende te hebben over ouderen afkomstig van sombere overlevers uit werk- en verpleegtehuizen. Nog in 1975 beschreef de Amerikaanse gerontoloog Robert Butler in zijn boek "Why Survive" de ouderdom nog als "a tragedy". Hij kreeg de Pullitzer Prijs voor het boek, terwijl het toch geen begin maakte de vraag uit de titel te beantwoorden.
Het is waarschijnlijk deze sombere kijk op de laatste levensfase die politici inspireert alarmistische kreten te uiten over de voortgaande vergrijzing van de wereld. De Verenigde Naties voorspellen dat gedurende de komende twee generaties de helft van alle vrouwen op de wereld het bij twee of minder kinderen zal houden. Joel Cohen, een demograaf van Harvard, voorspelt dat veel derde wereldlanden ook de Methusalemkeuze zullen maken: kleinere gezinnen, langer leven. In de Verenigde Staten zullen in 2050 drie mensen boven de zestig zijn tegen één onder de vier.
Dit is terra incognita. Onze soort heeft nog nooit geleefd in samenlevingen waar meer mensen boven de vijftig waren dan er onder. Eigenlijk is er sprake van een grote vooruitgang. Honderd jaar na de 17 in Manchester konden de mensen in Europa rekenen op een gemiddelde levensverwachting van 45. En nu, na de uitbanning van de kindersterfte en de ontdekking van het belang van schoon drinkwater, riolering, goede behuizing en vitamines zijn ouders van tachtig gewoon geworden. Dit is geen probleem, dit is het resultaat van honderden jaren zwoegen. Onze lange levensverwachting begint in de baarmoeder. Mensen die oud worden starten als gezonde baby's. De emancipatie van de vrouwen heeft geleid tot minder kinderen die op latere leeftijd gemaakt worden. Dit is precies wat alle bevolkingsonheilsprofeten wilden. De eerste grijzen worden de babyboomers. Een narcistische generatie die van jongs af aan bezig is geweest zo leuk mogelijk te leven. Dat zal ze nu ook weer lukken.

   
 
 
   
  Goed kauwen

Tegenwoordig weten we dat veel groenten en fruit, volkorenbrood en weinig vlees de gezondheid bevorderen. Vroeger wist men dat nog niet. Zo schreef de beroemde Engelse arts Sir Thomas Brunton in 1878 in The Practitioner, dat de belangrijkste oorzaak voor tuberculose de hoge boterprijs was. Voor zwaar mentaal werk schreef hij een dieet met overvloedig vet spek en bacon voor. Hij beschreef een geval van een overspannen man die hij genezen had met vet vlees en whisky. Zelf begon hij de dag altijd met een pond gebakken bacon. Hij stierf in 1916 op 72-jarige leeftijd. Tot de jaren vijftig beval de medische professie dierlijk vet en veel vlees nog aan als dieet voor een goede gezondheid. Vanaf de jaren vijftig begonnen deze produkten echter in een steeds kwadere reuk te staan. Een nieuwe waarheid diende zich aan. Op dit moment is het zo dat in de Verenigde Staten het voedsel wordt onderverdeeld in goed en slecht. Slecht zijn boter, eidooier, bacon, spek en vooral rood vlees.
Het zal niemand verbazen dat wetenschappers die roepen dat veel vlees eten juist goed is enige opschudding veroorzaken in Amerika. Het gaat om de arts Loren Cordaine en de antropoloog Boyd Eaton van de Colorado State Universiteit. Vorige week lieten zij in de New York Times weten dat een paleolithisch dieet het beste is voor onze gezondheid. Volgens hen aten de holbewoners 40.000 jaar geleden juist ontzettend veel vlees, een enkele wortel en knol en nauwelijks fruit. Zo'n holbewonerdieet is dus precies het tegenovergestelde als de waarheid van de hedendaagse voedseldeskundigen. De wetenschappers noemen het hedendaagse Amerikaanse dieet welvaartsondervoeding. Meer vlees is de boodschap. Wel moet bedacht worden dat de elanden en mammoeten een ander soort vlees afgaven dan de hedendaagse boerderijdieren. Met name het soort vetzuren waarvan bekend is dat ze gezond zijn komen bij het wild veel meer voor. Deze goede vetzuren, ook wel omega-3 vetzuren genoemd, zouden ook weldadig zijn voor het brein. Cordaine gelooft dan ook dat de ommekeer van een vegetarisch naar een vleesdieet het begin inluidde van de evolutie van het brein zoals we dat nu kennen. Wellicht om die reden hadden de jagende Neandertalers een groter brein dan wij. Ze hadden ook een steviger kaakpartij.
De reden daarvoor werd mij recent duidelijk. Bij toeval kwam ik aan de weet dat bij een slager in het Friese Anjum vlees van Schotse Highlanders te koop was. In de naburige Lauwersmeerpolder loopt naast de militaire oefenterreinen een omvangrijke kudde van deze grofbehaarde en wijd gehoornde runderen in een omheind gebied wild rond. Ze eten alleen wat de polder schaft en zijn dus behoorlijk paleolithisch in de weer. Desondanks groeit de kudde sneller dan Staatsbosbeheer wenselijk acht. Om die reden sterven een aantal runderen een niet natuurlijke dood bij de slager in Anjum. Omdat gezond veel vlees eten een aantrekkelijk idee leek, kocht ik een vijf kilopakket.
Inmiddels is duidelijk dat primitieve jagers-verzamelaars-volken naast stevige kaakspieren ook een goed gebit moeten hebben willen zij van dit soort vlees hun hoofdmenu maken. De taaiheid van de hooglanders bleek ongeëvenaard.
Gelukkig is de argumentatie van de onderzoekers niet zo slim. Ze merken in het artikel op dat bij jagers-verzamelaarsvolkeren weinig hart en vaatziekten voorkomen. Dat klopt. Dat komt echter niet door al dat taaie vlees: de levensverwachting van die mensen is gemiddeld minder dan veertig jaar.

   
 
 
   
  Verdringing

Nadat op 11 september 2001 de Twin Towers instortten, daalde een zwerm psychotherapeuten neer op de overlevenden. Volgens sommige schattingen waren er drie psychiaters per slachtoffer. Allemaal drongen ze erop aan dat de overlevenden zouden praten over hun belevenissen. In een recent artikel in de New York Times uit de psycholoog Richard Gere zich zeer kritisch over deze gang van zaken. Alle therapieën zijn gebaseerd op het idee dat het helend zou werken wanneer je traumatische ervaringen herbeleefd en er over praat. Uit onderzoek naar het succes van deze massale debriefing bleek echter dat veel mensen zich daardoor nog beroerder gingen voelen.
De gedachte dat expressie van emoties helend werkt is al heel oud. In de tweede eeuw na Christus bedacht Galenus dat ziekte veroorzaakt werd door een onbalans van de vier oersappen : bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Harmonie kon weer worden gevonden door het aftappen van lichaamssappen. Door zo´n expressie ontstond catharsis en daardoor gezondheid.
In de negentiende eeuw was het de leermeester van Freud, Martin Charcot, die onderwees dat hysterie veroorzaakt werd door verborgen traumatische gebeurtenissen in het leven van de getroffen vrouwen. Freud zelf geloofde enige tijd dat hysterie werd veroorzaakt door seksueel misbruik in de kindertijd. Later bleek dat de vrouwen hem bedenksels hadden verteld. Wel heeft Freud de gedachte populair gemaakt dat onbewuste kwetsuren in het licht van het bewustzijn moeten worden gebracht om te genezen. Het meest schadelijk was het zogeheten verdringen van vervelende zaken.
Momenteel hechten professionals en leken een onvoorwaardelijk geloof aan de noodzaak om heftige emoties te uiten. Ze moeten uit het systeem. Wanneer je je woede niet uit krijg je een maagzweer of erger. Nare gebeurtenissen moeten besproken worden. Het is verkeerd om zaken op te zouten of op te kroppen. Daarom is het heel goed met een psychotherapeut te spreken over je problemen.
De eerste psycholoog die hier in het openbaar aan twijfelde was H.J. Eysenck. Die publiceerde in 1952 een onderzoek waar uit bleek dat psychotherapie evenveel hielp als het verstrijken van de tijd. Recent onderzoek lijkt uit te wijzen dat verdringing beter helpt dan expressie van nare gevoelens. Drie onderzoekers van de universiteit van Tel Aviv bestudeerden slachtoffers van een hartinfarct. Het is bekend dat sommige mensen die een hartinfarct hebben doorgemaakt een posttraumatisch stress syndroom ontwikkelen. Ze blijven extreem angstig, lijden aan slapeloosheid en andere lichamelijke klachten. De onderzoekers vergeleken mensen die ontkenden angstig te zijn en er niet over wilden praten met patiënten die vrijelijk over hun gemoedstoestand van gedachten konden wisselen. In de eerste week na het infarct kregen de patiënten testen voorgelegd waaruit opgemaakt kon worden in hoeverre ze neigden naar ontkenning en vermijding van hun gevoelens. Zeven maanden later bleken van de ontkenners 7 procent een posttraumatisch stresssyndroom te hebben tegen 19 procent van de spraakzame groep.
De Amerikaanse psycholoog George Bonanna van de universiteit van Columbia doet al tien jaar onderzoek naar dit verschijnsel. Om te zien of mensen verdringers zijn of niet laat hij hen vertellen over hun trauma terwijl hij hartslag, bloeddruk en zweet meet. Mensen met een duidelijke lichamelijke reactie die ontkennen dat ze er erg aan toe zijn definieert hij als verdringers. Het blijkt dat die er in vervolgonderzoeken beter aan toe zijn dan de mensen die klagen. Er is weinig over verdringers bekend omdat ze uiteraard de spreekkamers van zielkundigen niet frequenteren. Jammer, misschien kunnen we veel van hen leren.

   
 
 
   
  Vrouwen Viagra

De invloed van fundamentalistische christenen in de Verenigde Staten op het onderwijs is groot. Zo is op de meeste scholen het onderwijs in seksualiteit vervangen door propaganda voor geheelonthouding wat betreft seks. De meeste teenagers weten dan ook niets over voorbehoedmiddelen, laat staan over abortus. Een ander gevolg van deze hypocrisie is dat de seksualiteitsbeleving bij volwassenen problematisch is. Vooral vrouwen vertellen in therapie dat seks voor hen orgasme-loos, onplezierig of pijnlijk is. Farmaceutische bedrijven zijn bijzonder ingenomen met deze rapporten. Ze staan te dringen om deze problemen te medicaliseren, zodat er geld aan verdiend kan worden. In het boek A New View of Women´s Sexual Problems, uitgegeven door Ellyn Kaschak en Leonore Tiefer, wordt deze belangenverstrengeling aan de kaak gesteld.
Medici roepen, gesterkt door de industrie, dat iedereen geslachtsgemeenschap moet hebben, en natuurlijk moet klaarkomen. Viagra is het product du jour en een chemisch geproduceerde erectie kost momenteel 12 dollar. Pfizer, de onderneming die het middel in 1998 op de markt bracht verdiend er jaarlijks zo´n 1,3 miljard dollar aan. Maar helaas werkt de blauwe pil niet voor vrouwen. Die zijn dus een enorme potentiële markt. Temeer daar een onderzoek uit 1992 vond dat 43 procent het eigen seksleven onplezierig vond. De race om vrouwen medische orgasmen te bezorgen is begonnen. Artsen schrijven al clitoral therapy devices (CTD's) voor. Miniatuurstofzuigertjes voor zeer plaatselijk gebruik. Ze kosten 375 dollar, meer dan tien keer de prijs van een vibrator.
De vigerende denkbeelden over seks gaan terug naar William Masters en Virginia Johnson uit de zestiger jaren. Hun onderzoekspopulatie bestond echter uit hoger opgeleide mensen die geïnteresseerd waren in hun eigen seksuele verrichtingen. Zo slaagden ze erin klaar te komen in het laboratorium van de onderzoekers. Dit was allerminst een representatieve groep. Een onderzoek van Alfred Kinsey in die periode vond dat maar 58 procent van de Amerikanen weleens tot en met een orgasme had gemasturbeerd. De conclusies van Masters en Johnsen dat mannen en vrouwen dezelfde seksuele respons cyclus hadden is betwijfelbaar. Het model is later overgenomen in de bijbel van de Amerikaanse psychiatrie: de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Seks zou volgens dat model beginnen met begeerte, overgaan in seksuele prikkeling en met een orgasme eindigen. De auteurs van a new view verwerpen dit model als mannelijk. Bij vrouwen is er geen verschil tussen begeerte en prikkeling. Bovendien is voor hen een goede communicatieve relatie bij seks belangrijker dan een orgasme.
De voornaamste kritiek is echter dat de seksuele beleving van vrouwen heel erg beïnvloed wordt door culturele en sociale problemen. Waar medici zoeken naar lichamelijke gebreken om seksueel disfunctioneren te verklaren, trachten de auteurs socio-culturele, politiek-economische, relationele en psychologische oorzaken te vinden voor het onvermogen plezier te ondervinden bij geslachtsgemeenschap. Voorbeelden zijn slechte informatie over en toegankelijkheid tot geboortenbeperking. Overwerk waardoor geen tijd meer overblijft voor een privéleven. Ruzie met de partner over geld. Angst voor slet te worden aangezien. Misbruik en mishandeling. Allemaal problemen waarbij ministofzuigertjes niet helpen.
Wat nodig zou zijn is een veel betere toegang tot informatie over geboortenbeperking, overtijdbehandeling en abortus. Verder zou er onderzoek gedaan moeten worden naar seksualiteit bij het grote publiek zonder dat Big Farma en fundamentalistisch rechts zich daarmee bemoeien. Onder het huidige bewind van Bush een utopisch ideaal. Er valt straks veel te verdienen met vrouwenviagra. De echte magische pil voor de vrouwelijke seksualiteit is echter breedspectrum vrijheid.

   
 
 
   
  Galeislaven

In 1713 beschreef Ramazzini, arts in Padua, een beroepsziekte die veel voorkwam bij klerken op kantoren. Hij noemde het schrijfkramp. Pijn in handen, polsen, armen en nek behoorden tot de symptomen. De verschijnselen waren naar zijn inzicht te vergelijken met de problemen die vroeger bij monniken optraden die boeken moesten kopiëren.
Het lijkt erop dat deze aandoening momenteel de belangrijkste beroepsziekte aan het worden is. Een op de vijf werknemers zegt er last van te hebben. Vier procent van de instroom in de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt er momenteel door veroorzaakt. De klachten variëren van brandende of stekende pijn in handen, armen, nek of schouders, een gevoel van doofheid of juist overgevoeligheid, prikkelingen en tintelingen, onderhuidse zwelling, huidverkleuring, spierkramp en vermoeidheid en in gevorderde stadia functieverlies waardoor het onmogelijk wordt algemene dagelijkse handelingen te verrichten.
Omdat het vooral veel voorkomt in administratieve beroepen waar met de computer gewerkt wordt, lag het voor de hand de ziekte daarmee in verband te brengen. Na de invoering van de muis, sprak men wel van muisarm. Andere benamingen zijn 'repetitive strain injury' (RSI), 'Cumulative trauma disorder' (CTD) en chronische klachten door cyclische bewegingen (CKC).
Systematisch onderzoek naar de waarde van allerhande therapieën is nauwelijks gedaan. Ook de waarde van adviezen als kalm aan doen, maar niet geheel op te houden met werken zijn niet onderzocht. Vaak worden ergonomische aanpassingen van toetsenborden, zitmeubels en beeldschermen aangeprezen. Het weinige onderzoek dat daarna gedaan is stemt niet optimistisch. Medicamenten helpen niet. De belangrijkste onderzoeksgroep in Nederland wordt geleid door G.P. van Galen. De groep ontwikkelde een theorie waarbij neuromotorische ruis een belangrijke rol speelde. Deze ruis is een natuurlijk proces dat ervoor zorgt dat al onze spieren af en toe iets doen. Een stille spier degenereert. Wanneer je nu nauwkeurige bewegingen moet uitvoeren moeten commandosignalen boven die ruis uitkomen. Bij veel ruis zou je daardoor veel grotere spierspanningen oproepen dan nodig om precieze taken uit te voeren. De hoeveelheid ruis wordt door veel factoren vergroot. Lawaai heeft invloed, maar ook de mentale stress van moeilijke taken en emotionele stress als haast en angst te falen. RSI-achtige klachten treden vooral op bij hoge werkdruk, niet goed begeleide invoering van nieuwe apparatuur, een ongunstig sociaal werkklimaat gecombineerd met apparatuur die een grote nauwkeurigheid van bewegingen vraagt bij weinig krachtsinspanning. Het is duidelijk dat hier een omschrijving wordt gegeven van het doorsnee Nederlandse kantoor.
Een groot onderzoek daarnaar door TNO Arbeid werd in 2000 gepresenteerd. Van 5400 kantoormedewerkers, vooral secretaresses en typistes, bleken zo'n duizend last te hebben van RSI. Het gebruik van muizen had geen invloed op de bezwaren, dus de diagnose muisarm kan weg. Als verklaring wordt hier gewezen naar een verkeerde lichaamshouding bij het werk. Klaarblijkelijk zaten mannen beter, die hadden minder last. Uit het feit dat ergonomische aanpassingen weinig voordeel opleveren kan geconcludeerd worden dat daar niet gezocht moet worden.
De onderzoekers concluderen dat niet de muis, maar de computer de schuldige is. Daar zit wel wat in. Dankzij de computer kunnen werknemers als galeislaven aan hun zetel vastgeketend worden. Alles kan op de computer, dus je hoeft nooit ergens heen. Meer stress dan één computer geeft echter steeds een nieuwe computer met steeds nieuwe halfbegrepen software en de aanhoudende druk van een gestresste baas die alles gisteren klaar wilde hebben.

   
 
 
   
  Gezond eten

Toen ik voor het eerst een vriendin mee naar mijn ouders nam, vroeg mijn moeder haar: 'Geef je hem wel genoeg fruit?' De notie dat het eten van planten en vruchten de gezondheid bevordert is diep verankerd in de common sense. De ontdekking van vitamine C en de dramatische genezing die de stof bij scheurbuik teweegbracht, zal daar mede debet aan zijn geweest.
Aan het begin van de vorige eeuw werd ontdekt dat ook het gemis van andere vitamines tot ernstige gevolgen kon leiden. Hoewel vet, vlees, zuivel en eieren belangrijke vitaminebronnen bleken en vooral arme mensen die deze voedingsmiddelen moesten ontberen allerlei afwijkingen vertoonden, raakten deze producten in de tweede helft van de vorige eeuw, toen de meest barre armoede in de geïndustrialiseerde landen verdwenen was, steeds meer in diskrediet. Gezondheid zou te vinden zijn in de plantaardige wereld. Door de welvaart werden de mensen steeds ouder. Als ze stierven was dat aan kanker of hart- en vaatziekten. Uit gewoonte werd de oorzaak van het sterven niet gezocht in de ouderdom maar in de eetgewoonten. Wanneer je maar gezond at, was de gedachte, dan werd je niet ziek en zou je niet voortijdig heengaan. Opvallend was dat gezond eten slechts een geringe overlap had met lekker eten. Weliswaar was er de aanbeveling je vooral gevarieerd te voeden, de gedachten gingen daarbij vooral uit naar de schijf van vijf en niet naar truffels of kaviaar. Ter bestrijding van de doodsoorzaken van de ouderen werden sommige soorten voeding in de ban gedaan. Hart en bloedvaten zouden te lijden hebben van dierlijk vet, vlees, zuivel en eieren. Kanker zou je kunnen oplopen door een dieet dat hetzelfde voedsel in overmaat bevatte en waarin planten en vezels ontbraken. Een leger van elkaar napratende deskundigen trachtte de mensheid te bekeren tot een vezel-, vrucht- en groenterijk dieet zonder dierlijk materiaal. In 1991 startte het Amerikaanse National Cancer Institute een '5 A Day for Better Health'-campagne. Met die vijf werden geen eieren of biefstukken bedoeld, maar appels en porties sla. In 1997 riep het American Institute for Cancer Research dat een dieet met veel planten met de 'hoogste wetenschappelijke waarschijnlijkheid' darmkanker tegenging.
De laatste jaren wordt echter steeds meer onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat het niet zo goed gesteld is met de wetenschappelijkheid van al die voorschriften. Een grootschalig Zweeds onderzoek door de nierarts Uffe Ravnskov, waarbij hij alle grote studies naar het verband tussen de consumptie van dierlijk vet en hart- en vaatziekten opnieuw bezag, toonde aan dat zo'n verband niet bestond. In april 2000 jaar publiceerde de New England Journal of Medicine een groot onderzoek waaruit bleek dat een dieet met veel vezels, groente en fruit geen bescherming bood tegen darmkanker. In het novembernummer stond een onderzoek waaruit bleek dat minder longkanker ook niet aangetoond kon worden.
Wanneer wetenschappelijke vondsten tegen de heersende communis opinio ingaan, wordt vaak de methode van het onderzoek in twijfel getrokken. Dat gebeurt niet wanneer de resultaten overeenkomen met het heersende geloof. In dit geval trok men de betrouwbaarheid van de vragenlijsten in twijfel. Waren mensen wel eerlijk over wat ze wel en niet aten? Vergeten werd dat in vroeger onderzoek, waarin wel verband tussen dieet en kanker werd vastgesteld, vaak mensen die al kanker hadden vergeleken werden met mensen waarvan zoiets niet bekend was. Kankerpatiënten zijn vaak somber en voelen zich schuldig over hun vermeende ongezonde leefgewoonten. Hun antwoorden zijn bevooroordeeld. De nieuwe onderzoeken waren prospectief, dat wil zeggen dat eerst gevraagd werd wat iedereen at, en later pas bekeken werd wie kanker had gekregen. Dat is methodologisch beter.
Je zult nog meemaken dat al deze vondsten leiden tot een vreemde nieuwe theorie: Eet wat je lekker vindt.

   
 
 
   
  Peters principe

In grote organisaties zijn leidinggevenden als regel incompetent. Dit is te danken aan een wetmatigheid die de Canadese auteur Laurence Peter in 1969 samen met Raymond Hill beschreef.

De titel van zijn boek The Peter Principle is sindsdien de naam van het verschijnsel. In grote ondernemingen en ambtelijke bureaucratieën is sprake van een mobiliteitsideologie. Stilstand is achteruitgang en werknemers die te lang op één niveau blijven hangen worden niet op prijs gesteld. Je moet promotie maken. Belonings- en functiewaarderingssystemen zijn daarop afgestemd. Langetermijnhypotheken gaan automatisch uit van salarisvooruitgang. Mensen die inhoudelijk goed functioneren worden gepromoveerd. Lieden die het niet zo goed doen blijven zitten waar ze zitten. Dit mechanisme leidt feilloos tot een situatie dat iedereen de plek bereikt waarop hij incompetent is. Daar blijft hij dan, want omdat hij het daar niet zo goed doet, wordt hij niet verder gepromoveerd. Een van de oorzaken van dit kwaad is dat het werk in hogere echelons anders is dan in lagere. Een goede leraar is dat omdat hij zo meeslepend kan vertellen over de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Omdat hij zo uitstekend functioneert wordt hij bevorderd naar het managementteam van de school. Nu moet hij helaas vergaderen, roosters maken en richtlijnen uit Zoetermeer bestuderen. Dat is geheel andere koek en het is niet denkbeeldig dat hij daar niet goed in is en ook niet gelukkig van wordt.
Omdat in organisatorische hiërarchieën een hogere functie automatisch inhoudt dat je meer mensen onder je krijgt, bestaat beter gesalarieerd werk altijd uit leiding geven, beleid maken en organiseren. Er is echter geen reden waarom vakinhoudelijk goede professionals al dat managen leuk zouden vinden of goed zouden kunnen. Succes als vakman voorspelt geen goede vervulling van leidinggevende functies. Wanneer echter iedereen die goed werk aflevert gepromoveerd wordt is algehele incompetentie onafwendbaar. Doen wat je goed kunt wordt afgestraft. Je wordt omhoog geschopt naar een baantje dat je niet goed kunt en daar moet je blijven. Zo worden goede voetballers slechte trainers en goede journalisten slechte voorlichters. Goede agenten en zelfs goede generaals worden slechte politiecommissarissen en goede hoogleraren en burgemeesters slechte ministers. Gelukkig is het ministerschap een tijdelijke aangelegenheid. Helaas geldt echter voor de meeste functionarissen dat een stap terug naar de oorspronkelijke betrekking niet mogelijk is. Hun vorige plaats is bezet en wanneer dat niet zo was zou een degradatie te veel gezichtsverlies met zich brengen.
Gelukkig zijn alle grote organisaties piramidevormig. Bovenin is het minste plaats. Dat betekent dat alleen functionarissen die hun werk buitengewoon goed doen van hun functie worden ontheven.
Gemiddeld goeden mogen blijven zitten. Aan hen is het te danken dat onze maatschappij niet vanwege algehele onbekwaamheid in elkaar dondert.