Anorexia-infectie

Het fotomodellensyndroom wordt het in Argentinië genoemd. Een op de tien Argentijnse meisjes zou eraan lijden. Het gaat om de ambitie even mager te worden als beroemde modesterren. Dit kan bereikt worden door zeer rigoureus te lijnen. Er is sprake van een dwangmatige neiging calorierijk voedsel te vermijden. Wanneer de pogingen doorschieten en de lijdsters nog veel magerder worden dan de vereerde modellen, spreekt men van anorexia nervosa. Consequent volgehouden komt de dood door verhongering in zicht.
Volgens sommig onderzoek is in Nederland een op de 150 vrouwen op deze wijze doende. De Tilburgse psychologe Els van den Heuvel promoveerde in 1998 op een proefschrift over de aandoening. Titel: Anorexia nervosa: een samenspel tussen leken en deskundigen. Ze bestrijdt daarin de misvatting dat deze eetstoornis de laatste jaren epidemische proporties heeft aangenomen. Wel is er sinds de jaren tachtig steeds meer belangstelling voor gekomen. Ook gelooft ze niet dat het huidige westerse slankheidsideaal de oorzaak zou zijn. Ze meent dat dit ideaal al minstens een eeuw oud is. Dat laatste lijkt me twijfelachtig. Weliswaar stamt de kreet, 'maak je niet dik, dun is de mode', al van het begin van deze eeuw, toch is uit oude foto's gemakkelijk af te leiden dat dun in die vervlogen tijden een andere betekenis had. Voorts is het natuurlijk opvallend dat de aandoening bij mannen vrijwel onbekend is. Ook is het zo dat vrouwen die beroepshalve zeer slank moeten zijn, zoals actrices, modellen en balletdanseressen, vaker aan magerzucht lijden.
Dit gegeven maakt de theorie plausibel dat hongeren verslavend werkt. Bekend is dat vasten het bewustzijn verandert. Geloofsfanaten en mystici van alle tijden grepen naar deze goedkope vorm van tranceverwerving. Als voorbeeld kan Jezus van Nazareth gelden die na veertig dagen vasten interessante gesprekken met de duivel meende te kunnen voeren. Verslavingen zijn notoir moeilijk te behandelen. Bij anorexia gaat men bijvoorbeeld over op 'intramurale gewichtstoenameprogramma's'. Hierbij worden de patiënten opgenomen in het ziekenhuis en moeten, via een regime van belonen en straffen, de verdwenen kilo's er weer aan eten. Over de oorzaak van de aandoening was tot voor kort niets bekend.
Waarschijnlijk om die reden werd vaak een toevlucht gezocht bij psychotherapie. Omdat de lijners dit doen vanuit grote ontevredenheid met de lichaamsvorm, trachtte men daar verandering in te brengen. Pogingen daartoe worden wel ondernomen met zogenaamde cognitieve gedragstherapie. Deze komt erop neer dat men de lijdster aan het verstand probeert te peuteren dat een lichaamsgewicht van veertig kilo helemaal niet fraai staat, en de extra beharing die vaak optreedt door hormonale stoornissen al helemaal niet. Omdat de resultaten van deze pogingen mager zijn, is het hoopvol dat recent onderzoek in een geheel andere richting wijst. Er zijn verbanden gevonden tussen infecties met streptokokken en het ontstaan van dwangmatige, obsessieve psychiatrische beelden. Het lijkt erop dat sommige mensen door zo'n aandoening, een keelontsteking bijvoorbeeld, antistoffen produceren die het brein beschadigen. In recent onderzoek werden bij autistische kinderen en meisjes met anorexia sterk verhoogde waarden van dit soort antistoffen gevonden. Autisten zijn geobsedeerd door gedragsherhalingen terwijl anorexiapatiënten dwangmatig met hun calorie-inname in de weer zijn. Mae Sokal van de Amerikaanse Menninger Clinic vond bij anorexia-teenagers vijf maal zoveel antistoffen dan gemiddeld. Toen zij deze kinderen ging behandelen met antibiotica boekte zij daarmee, volgens de Psychology Today van juni 1998, indrukwekkende resultaten.
De lijst met door bacteriën veroorzaakte kwalen lijkt steeds langer te worden.

Boeken over Anorexia Nervosa en Boulimia vind je hier.

   
 
 
   
 

Bangmakerij

Omstreeks 1900 waarschuwden medici voor overmatige seksuele activiteit. Het mannelijk publiek werd voorgehouden dat overmatige verkwisting van sperma tot degeneratie van het zenuwstelsel leidde. Bij vrouwen zouden aanhoudende gedachten aan seks daar al toe leiden. Niet alleen het zenuwstelsel ging eraan, ook geheugenverlies, domheid en zelfs de tering konden het gevolg zijn.
Dr. Alex Comfort liet in zijn boek The Anxiety Makers uit 1999 zien dat dit geen op zichzelf staande activiteit was. Artsen hebben de gewoonte hun autoriteit te misbruiken om hun patiënten bang te maken met moralistische misinformatie. Een hedendaags voorbeeld is de bangmakerij voor aids, onder andere door de veilig vrijen-campagne. Gesuggereerd werd dat heteroseksuele promiscuïteit gevaarlijk zou zijn, terwijl het tegendeel bekend was. Er is namelijk al sinds 1850 een virus in omloop dat op precies dezelfde wijze wordt overgedragen als het HIV-virus: door besmet bloed, vieze naalden en anale geslachtsgemeenschap. Het is het hepatitis B-virus. Het enige verschil is dat dit virus ongeveer honderd keer zo besmettelijk is als het HIV-virus. Desondanks zijn het nog steeds alleen dezelfde risicogroepen die ermee besmet raken en is het nooit doorgebroken naar een heteroseksuele epidemie.
Het tweede voorbeeld betreft een omissie. Zo'n tien jaar geleden is het duurste en omvangrijkste experiment gedaan uit de geschiedenis van de geneeskunde. 60.000 mannen uit Framingham in de Verenigde Staten werden verdeeld in een interventiegroep en een controlegroep. De eerste groep werd begeleid in het stoppen met roken, veel bewegen en het eten van zogenaamd gezond voedsel. Tien jaar en miljoenen guldens later bleek het aantal beroertes en hartinfarcten in beide groepen precies gelijk. Deze uitkomst is verzwegen.
Wat ook niet aan de grote klok wordt gehangen is het gegeven dat de oorzaak van de belangrijkste ziektes nog even obscuur is als honderd jaar geleden. Multiple sclerose (ms.), suikerziekte, artritis, kanker, beroertes, niemand weet waarom ze ineens kunnen toeslaan. Dit vacuüm van onwetendheid wordt opgevuld met statistische toverij. Mensen met de ziekte worden vergeleken met gezonden. Elk statistisch significant verschil wordt dan voor de oorzaak van de ziekte versleten. Zo zou ms. veroorzaakt worden door katten, diabetes door gebarbecued vlees en Alzheimer door het gebruik van aluminium pannen. Voor hartziekten zijn op deze wijze al 240 risicofactoren ontdekt, die overigens vaak tegenstrijdig zijn. Zowel alcoholisme als totale abstinentie zijn gevaarlijk, alsmede het drinken van melk of juist niet.
Het vervelende is dat deze kwakzalverij niet door medische deskundigen wordt ontmaskerd, maar juist door artsen wordt bedreven. Aan te bevelen is te bedenken dat het menselijk lichaam buitengewoon taai is en dat het heel moeilijk is je gezondheid te schaden.
Het enige waarvoor je moet uitkijken zijn gezondheidsexperts. Neem ze niet met een korrel maar met een schep zout. Met veel zout is namelijk ook niets mis.

   
 
 
   
 

Berenlulpastilles

De impotentie van welgestelde mannen in het Verre Oosten is een groot probleem. Vooral voor een drietal diersoorten die daardoor met uitsterven worden bedreigd. De tijgers gaan er het eerst aan. Er zijn er nu nog zo'n 6000 over en elk jaar worden een paar honderd gestroopt en in stukken gehakt voor traditionele medicijnen. Populair is de tijgerpenissoep. Consumptie van dit vitale orgaan van het machtige beest zou de tijger in de man wakker maken. Volgens het Environmental Investigation Agency in Londen, dat 'crimes against nature' onderzoekt, worden door de handel in deze onderdelen meer tijgers de dupe dan door het verwoesten van hun natuurlijke habitat.
Na de tijger staat de rinoceros op de nominatie om uitgeroeid te worden. Naar schattingen leven er nu nog zo'n 11.000. De mannelijke rinoceros komt niet zo snel klaar. Een gewone copulatie duurt dan ook uren. Ook hier is een primitieve geneeskundetheorie fataal. De gedachtegang is dat consumptie van onderdelen van een dier de kwaliteiten ervan op de patiënt zal overbrengen. In dit geval verwacht men veel van poeder gemaakt van de hoorn op de neus van de rinoceros.
Een vergelijkbare theorie in de geneeskunde in onze streken was de signatuurleer. God, zo was de gedachte, had de planten zo gemaakt dat je eraan kon zien waar ze goed voor waren. Het was dus zaak te zoeken naar gelijkenissen tussen planten en zieke organen. Zo gold de walnoot als een goed middel tegen hersenziekten. Behaarde planten zouden helpen tegen kaalhoofdigheid terwijl de knolletjes van het speenkruid van nut zouden zijn bij aambeien.
Het derde dier dat met uitsterven wordt bedreigd is de gemaskerde civetkat. Klaarblijkelijk geven de donkere randen om de ogen het dier een mysterieuze sexy uitstraling. Delen van het dier worden verwerkt in drankjes die het nachtleven van de vermogende oosterse man moeten oppeppen.
Tijgers, neushoorns en civetkatten behoren tot de bedreigde diersoorten. Jacht en handel in onderdelen zijn zeer strafbaar. Hierdoor ontstaat hetzelfde marktmechanisme als bij verboden drugs. De stoffen worden peperduur waardoor het de moeite loont ze clandestien te produceren, te smokkelen en te verhandelen.
De bedragen die er momenteel voor moeten worden neergeteld zijn astronomisch.
Om die reden zijn er alternatieven in de handel voor de man met de kleine beurs. Een dier dat ook een goed rechtopstaand image heeft is de hertenbok. De hertenbokpenis wordt gedroogd verkocht. Hij kan in schijfjes gesneden dienen als de basis van een versterkende soep. Volgens een ervaringsdeskundige laat de smaak te wensen over en is het effect zeer twijfelachtig. Waarschijnlijk om die reden zijn in Zuidoost-Azië vooral mengsels met alcohol populair. Bekend is de driepeniswijn. In dit aftreksel zijn resten te vinden van de pikken van honden, herten en zeehonden. Een duurdere variant is de negenpeniswijn. Mijn bron laat onvermeld welke dieren hier hun uitrusting afdragen voor het heil van het mannelijk volksdeel. In Hong Kong ten slotte wordt een likeur gemaakt van kruiden en slangenpenis. Deze moet enkele jaren rijpen en komt dan op ongeveer 500 gulden de fles.
Het zal duidelijk zijn dat hier een ongelooflijke markt ligt voor de firma Pfizer. Chinezen hebben kennelijk heel wat over voor een stijve. Terwijl ze waarschijnlijk diep in hun hart wel weten dat de werking van deze middelen dubieus is. Viagra daarentegen verbetert bij een dosis van 100 mg het erectievermogen bij maar liefst 82 procent van de mannen.
Voor de potentiële klant die toch de voorkeur geeft aan een traditioneel medicijn zouden de pillen verkocht kunnen worden onder de naam berenlulpastilles.

   
 
 
   
 

Mysterieus lichaam

De beschaafdheid van een cultuur kan afgemeten worden aan de wijze waarop de vrouwen behandeld worden. Vrouwen worden gewoonlijk meer gediscrimineerd wanneer er sprake is van segregatie van de seksen. Hoe gescheidener jongens en meisjes opgroeien, des te slechter vrouwen behandeld worden. Oorzaak en gevolg zijn daarbij overigens omkeerbaar. Je zou kunnen zeggen dat de westerse maatschappij in de tweede helft van deze eeuw beschaafder is geworden. Onze voorsprong op andere culturen is echter minder groot dan je zou wensen.
In de samenlevingen waar de seksen streng gescheiden zijn, hebben de mannen altijd de macht. Door die scheiding weten mannen niets van vrouwen. Een wetenschapsgebied waarop dit sinds onheuglijke tijden schrijnend is, is de geneeskunde.
In Hippocrates' Women: Reading the Female Body In Ancient Greece door Helen King (1998), wordt daarvan een navrant beeld geschilderd. King laat zien dat in de geneeskunde de vrouw van oudsher als een soort buis werd voorgesteld. Zowel aan de bovenkant als onderkant trof men zowel lippen (labia) als hals (cervix). De oude Grieken en geneesheren tot in de vorige eeuw meenden dat die buis voor de vruchtbaarheid goed open moest zijn. Een test voor vrouwelijke vruchtbaarheid was het 's avonds plaatsen van een teentje knoflook in de vagina. Wanneer de vrouw 's ochtends uit haar mond naar knoflook rook was zij vruchtbaar.
Wanneer een meisje begon te menstrueren was het zaak de buis goed te openen. Geslachtsgemeenschap en vroege zwangerschap waren daarbij aangewezen. In voorkomende gevallen kon de geneesheer hier zelf therapeutisch optreden. De bevalling opende de buis op de juiste wijze, zodat het bloed goed kon vloeien.
Het verband tussen onderkant en bovenkant werd ook duidelijk omdat vrouwen na deze belevenis niet zelden een donkerder stemgeluid hadden.
In de vorige eeuw was het nog niet veel beter. Met instemming van de aartsbisschop van Canterbury verwijderde dokter Isaac Baker Brown aan de lopende band clitorissen. Hij zag dit als remedie voor zulke uiteenlopende aandoeningen als ongewenst urineverlies, hysterie en scheidingswens. Echtscheiding willen moest wel een teken van krankzinnigheid zijn. Een euvel van boven dat beneden met mutilatie gepareerd moest worden. Op deze wijze besneden vrouwen waren: 'weer terug naar hun man gegaan en in alle opzichten goede echtgenotes geworden'. Aan het begin van deze eeuw opereerde Fliesz nog patiënten van zijn vriend Freud aan hun neus, wanneer ze last hadden van menstruatieklachten. Een van hen werd dat bijna fataal.
Onze geringe voorsprong blijkt uit de pas recente groei van vrouwelijke geneeskundestudenten. Het zal nog wel tien jaar duren voor de helft van de dokters vrouw is. Gevreesd moet worden dat dat bij in vrouwen snijdende specialisten als gynaecologen en chirurgen nog wel wat langer zal duren. Een gewaarschuwd vrouw telt tot dan voor twee.

   
   
 

Genderrollen

Mannen en vrouwen verschillen van elkaar. Vrouwen snappen niet wat hun zoontjes zien in geweertjes en robots. Ook het intensieve gebruik van de afstandsbediening door hun echtgenoot stuit op onbegrip. Mannen daarentegen verbazen zich over al die gevoelens waarover hun vrouw wil praten. Eigenlijk is het een wonder dat onderzoekers nog geen techniekgen op het Y-chromosoom hebben gevonden en een recessief gevoelsgen op het X-chromosoom. Een groot aantal theoretici denkt de geslachten zelfs tegengestelde eigenschappen toe. Mannen zouden agressief zijn, vrouwen vreedzaam. De populaire psycholoog John Gray meent dat mannen van Mars afkomstig zijn en vrouwen van Venus.
Vroeger waren er de psychoanalitici die wisten dat het onbewuste van beide seksen geheel anders werkte. Voor hedendaagse feministische psychologen hebben mannen en vrouwen volstrekt verschillende manieren van waarnemen, praten en oordelen. Sociobiologen, ten slotte, lieten zien dat vrouwen van nature monogaam waren en mannen promiscu. Wanneer dit allemaal juist zou zijn, zouden de geslachtschromosomen overvol specifieke geslachtsgenen moeten zitten en zouden de verschillen tussen mannen en vrouwen in alle culturen gelijk moeten zijn. Dit is overduidelijk niet het geval. Bovendien valt er wel wat af te dingen op die typische mannelijke en vrouwelijke eigenschappen. Uit het gedrag van mannen in liefde, oorlog en bij sportwedstrijden valt af te leiden dat zij een zeker vermogen tot emotionaliteit niet ontberen. Wanneer we agressiviteit definiëren als de intentie anderen te schaden, dan bezitten vrouwen deze eigenschap ook wel. Wat betreft de bekende vrouwelijke intuïtie is ontdekt dat dit eerder de intuïtie van ondergeschikten ten opzichte van de gemoedstoestand van meerderen is, dan een typische geslachtsgebonden eigenschap. Zowel mannelijke als vrouwelijke ondergeschikten hebben slechts het geringste nonverbale signaal nodig om het humeur van hun chef te peilen, terwijl deze gewoonlijk doof en blind is voor hun gevoelens. Recente vondsten laten zien dat bij de meeste soorten, waaronder de homo sapiens, vrouwen wel degelijk promiscu zijn en mannen soms monogaam.
Sociobiologen zijn nu dan ook van mening dat zulke strategieën juist wel een reproductief voordeel kunnen bieden. In haar boek The Two Sexes uit 1998 beschrijft de psychologe Eleanor Maccoby een andere verklaring voor sekseverschillen. Het zijn geen persoonlijke karakterverschillen, maar groepsgebonden kenmerken. Wanneer je kinderen hun gang laat gaan, zullen jongens en meisjes in aparte groepen gaan spelen. Die groepen ontwikkelen verschillende culturen. Daarmee gepaard gaan typische groepsverschijnselen als wederzijdse stereotyperingen en de vorming van vooroordelen. De spelculturen groeien uit elkaar en daarmee de manier van communiceren. Net als bij landen, scholen of etnische groepen identificeren jongens en meisjes zich met hun eigen in-groep. Jongensgroepen zijn daarbij meer seksistisch. Jongetjes die met de meisjes willen meedoen, worden door hun groepsgenootjes bestraft. Andersom is dit minder het geval en dit verschil blijft soms tot in de volwassenheid bestaan.
Deze sterke mannelijk drang tot segregatie treedt het opvallendst op in culturen waarin vrouwen een lagere status dan mannen hebben. De inhoudelijke verschillen tussen jongens- en meisjesculturen wisselen per tijd en plaats. Verschillen in eigenschappen als empathie, ijdelheid, onderdanigheid, intelligentie en knobbels voor wiskunde, variëren in de tijd en per cultuur. Maccoby gaf haar boek als subtitel Growing up Apart, Coming Together mee. De strenge apartheid die vijfjarigen erop na houden is door de socioloog John Gagnon omschreven als de 'Gender Police'.
In een moderne tolerante cultuur is zo'n rigide stereotiepe denkwijze op vijftigjarige leeftijd verdwenen. Voorzover deze segregatie nog gevonden kan worden in werk en vrije tijd dient ze beschouwd te worden voor wat ze is: een ontwikkelingsstoornis.

   
   
  Nature noch nurture

Francis Galton, de neef van Charles Darwin, bedacht aan het eind van de vorige eeuw dat je tweelingen kon gebruiken om verschillen in erfelijkheid te onderzoeken. Hij meende terecht dat tweelingen die er hetzelfde uitzagen afkomstig waren uit één eicel. Tweelingen met een verschillend uiterlijk kwamen uit meerdere eicellen. Bestudeer, zei hij, de overeenkomsten bij identieke en gewone tweelingen. Eigenschappen die identieke tweelingen gemeen hebben en gewone niet, zijn afkomstig van het erfelijk materiaal. Op deze manier zou je de invloeden van natuur en opvoeding kunnen achterhalen. En het menselijk ras verbeteren, zo vervolgde hij.
Galton was de bedenker van de term 'eugenetica'. Door het enthousiasme van de nazi's voor de rasverbetering werd dit concept na de Tweede Wereldoorlog impopulair. Het werd modieus te stellen dat mensen vooral door hun omgeving gevormd werden. Postuleren dat de erfelijkheid ook belangrijk was kon het einde van je carrière betekenen, zoals professor Buikhuisen moest ontdekken.
Toch begon vanaf het einde van de jaren zestig de erfelijkheidsschool zich weer te roeren. In 1969 schreef Arthur Jensen in de Harvard Educational Review het destijds controversiële artikel: 'How much can we boost IQ and scholastic achievement?' Niet zoveel, was zijn antwoord, want het IQ is vooral erfelijk bepaald. Dit was koren op de molen van rechtse politici, die toch al tegenstander waren van kostbare overheidsuitgaven voor welzijn en scholing. Een duidelijke uiting van deze coalitie was ook het boek van Charles Murray en Richard Herrnstein uit 1994: The Bell Curve. IQ is vooral erfelijk. Huwelijken vinden meestal tussen gelijken plaats, dus het verschil in intelligentie tussen verschillende klassen en rassen groeit steeds. Geld uitgeven aan armen en zwarten is weggegooid.
De studie van tweelingen leverde nogal wat ammunitie op voor dit gedachtegoed. Momenteel is er geen wetenschapper meer die er niet van overtuigd is dat de genen van groot belang zijn voor karakter en intelligentie. Het dispuut is momenteel vooral over de vraag in welke mate intelligentie erfelijk is. Een werkgroep van de American Psychological Association heeft een meta-analyse gepleegd op alle beschikbare onderzoeken en kwam uit op een gemiddelde erfelijke invloed van vijftig procent.
Dit betekent dat de helft bepaald wordt door andere invloeden. Maar welke? Wanneer de opvoeding van groot belang was, zouden geadopteerde kinderen die in hetzelfde gezin opgroeien meer met elkaar gemeen moeten hebben dan met de buurkinderen. Dat is echter niet het geval. Aan de andere kant, wanneer de genen alles bepaalden, zouden apart opgegroeide leden van een eeneiige tweeling ziektes als borstkanker of trekken als homoseksualiteit altijd gemeen moeten hebben. Maar ook dat is niet zo. Ondanks alle rumoer over 'borstkanker genen' krijgt maar twaalf procent van de leden van een identieke tweeling ook borstkanker wanneer hun identieke zusje eraan lijdt. Een recent Australisch onderzoek bij gescheiden opgegroeide identieke tweelingen laat zien dat homoseksualiteit slechts in twintig procent van de gevallen door beide leden gedeeld wordt.
Het gegeven dat de opvoeding in hetzelfde gezin weinig overeenkomsten tussen de kinderen produceert, heeft de Amerikaanse psychologe Sandra Scarr tot de hypothese van de 'goed genoeg' ouder gebracht. Zo lang het kind ouders heeft en zo lang die niet excessief gewelddadig zijn, is de ene ouder even goed als de andere. Het maakt niets uit of ze zich uitsloven voor een goede opvoeding of niet. Hoe de verschillen tussen mensen ontstaan wordt door al dit onderzoek niet duidelijker.
Wie we zijn wordt voor een groot deel niet door onze genen en niet door onze opvoeding bepaald. Het is toeval.

   
   
  Vet vooroordeel

Een opmerkelijke eigenschap van de wetenschap is de hardnekkigheid waarmee misvattingen worden gekoesterd. De wetenschap kan daarvoor een aantal trucs in stelling brengen. Een oude vertrouwde is de consensusconferentie. Oud, omdat de eerst bekende in 325 in Nicaea in Klein-Azië plaatsvond. Daar kwamen de geleerden overeen dat drie gelijk was aan één. Hiermee werd de twist beslecht over het aantal goden in het christelijke geloof. Een tweede is het selectief citeren. Hierbij worden uitsluitend onderzoeken aangehaald die de misvatting ondersteunen. Studies die aantonen dat het anders is, worden genegeerd. Een hedendaags voorbeeld van zo'n misvatting is de gedachte dat dierlijk vet slecht is voor hart en bloedvaten, en meervoudig onverzadigd plantaardig vet goed.
Door het voortdurend hameren op dit aambeeld is het grote publiek hiervan inmiddels ook overtuigd. Dat is jammer, want er is wetenschappelijk geen grond voor. Het prestigieuze Journal of Clinical Epidemiology publiceerde onlangs de eerste grote meta-analyse van alle onderzoeken op dit gebied. Er zijn over het effect van vet tot op heden een groot aantal studies verricht. Zo werd het aantal hartziekten in landen met verschillend vetgebruik vergeleken in zogenoemde ecologische studies. Ook werd gekeken naar het effect van verminderd dierlijk vetgebruik op het aantal hartziekten in 35 landen. Specifieke bevolkingsgroepen met sterk verschillend vetgebruik, als Bantus en Indianen, werden met elkaar vergeleken. Ten slotte waren er experimenten waarbij groepen die op dieet waren gezet werden vergeleken met normale vetgebruikers.
Wanneer je zo ontzettend veel onderzoek doet krijg je ook ontzettend veel resultaten. Je kunt dan daaruit pakken wat in je kraam te pas komt. Dit wordt in de wetenschap 'quotation bias' genoemd, bevooroordeeld citeren. Uit het genoemde artikel blijkt dat dit de laatste tien jaar op zeer grote schaal is gebeurd ten gunste van de veronderstelling dat de consumptie van dierlijk vet de kans op hartziekte vergroot. Zo kon in geen enkel recent onderzoek verband tussen vetconsumptie en hartziekten worden aangetoond wanneer je landen vergeleek. Verminderd vetgebruik in de 35 landen leidde bij de helft van de mensen tot minder hartziekten, bij de andere helft niet. Bij de vergelijking tussen bevolkingsgroepen liet één onderzoek verband zien tussen vetconsumptie en hartkwalen, bij zes maakte het niets uit en bij zeven studies was het verband omgekeerd, dat wil zeggen hogere verzadigd vetconsumptie correleerde met lagere aantallen hartkwalen. Bij de experimenten liet één een verband zien tussen vet en hartziekte, tegen acht niet.
Het lijkt duidelijk dat de hypothese dat dierlijk verzadigd vet slecht is voor je hart daarmee afdoende is verworpen. Zo werkt het echter niet in de wetenschap. Nieuwe ideeën krijgen pas ruimte wanneer de gelovers in de oude uit de roulatie zijn.
Wel kreeg de auteur van het artikel, de Zweed Uffe Ravnskov, in 1999 de Skrabanek-prijs voor zijn noeste en onbevooroordeelde arbeid.

   
 
 
   
  Waarom vlees?

In den beginne waren er holenmensen. Jagers-verzamelaars. Met dien verstande dat de vrouwen verzamelden en de mannen joegen. Dat is dus een natuurlijke verdeling. Er zijn er niet veel van over, maar in de Kalahari en op Nieuw-Guinea verzamelen de vrouwen nog noten en kleine dieren als ratten, terwijl de mannen op het grote wild jagen. Zo komt ieder gezinnetje aan zijn schijf van vijf. Althans dat was vroeger de gedachte. Sinds ook vrouwelijke antropologen zich ermee zijn gaan bemoeien is dit plaatje danig verstoord.
Kristen Hawkes van de Universiteit van Utah deed onderzoek naar het verwerven van eten bij de Aché-indianen in Paraguay. Haar collega Kim Hill deed zulk onderzoek bij de Hadza in Tanzania. Bij de Hadza is het zo dat de vrouwen de gehele dag in de weer zijn met het stampen van cassave en het verzamelen van vruchten, insectenlarven en ratten. Daarnaast verzorgen ze natuurlijk de kinderen. De mannen zijn de hort op. Af en toe komen ze terug met een dood dier, maar dat is meer uitzondering dan regel. Hawkes mat de gemiddelde calorie-opbrengst per dag van vrouwen en hun echtgenoten. De vrouwen verzamelden meer dan twee keer zoveel. Dat nam niet weg dat wanneer de man terugkwam met een groot dood dier het feest was. Merkwaardig genoeg was het niet zo dat hij deze kostbare eiwitten met zijn gezinnetje deelde. Integendeel, de hele dorpsgemeenschap mocht daarvan mee genieten.
Dit patroon is gebruikelijk in de weinige jagers-verzamelaars gemeenschappen die de aarde nog kent. Omdat antropologen vroeger altijd mannen waren zijn daarvoor allerlei verklaringen bedacht. Bijvoorbeeld altruïsme. Niet elke jager is even goed en iedereen heeft vlees nodig. Daar komt bij dat het in het belang van iedereen is, wanneer het dorp als geheel gezond is. Vijandige dorpen die vrouwen willen roven en mannen doden, kunnen zo effectief bestreden worden. Wel blijft de vraag bestaan waarom de mannen dan niet net als vrouwen vruchten, insectenlarven en kleine dieren verzamelen. In dat geval zou de hoeveelheid beschikbare calorieën danig stijgen. Nee, bedachten sommige mannelijke antropologen, het rondstruinen van de mannen kon nog een ander functie hebben. Mannen waren beschermers. Zij patrouilleerden als een soort veiligheidsdiensten rondom het woonerf. Op die wijze konden kwaadwillende mannetjes van andere groepen tijdig ontdekt worden en ontstond als het ware het begin van de moderne staat. Voorts was de jacht een goede oefening in het vermoorden van soortgenoten. Een verdedigingsstrategie die ook in die lang vervlogen tijden populair moet zijn geweest. Was het niet zo dat de mens de grootste natuurlijk vijand van de mens was, en waren om die reden jagers niet van belang?
De vrouwelijke antropologen ontdekten echter een logischer mechanisme voor het bestaan van jagers. Door flink doorvragen bij de vrouwen van de Aché-stam bleek dat zij voor hun kinderen gemiddeld 2,1 man voor de mogelijke vader hielden. Een van die 2,1 was de echtgenoot. De andere 1,1 moest vooral gezocht worden bij de succesvolle jagers. De feestjes die deze gaven met al dat vlees dat ze gescoord hadden, maakten hen kennelijk nogal aantrekkelijk. Hoe meer vlees, hoe meer buitenechtelijke genen van succesvolle jagers in het systeem kwamen. Mevrouw Hawkes noemde de succesvolle jagers opscheppers en de gewone echtgenoten verzorgers. Opscheppers liepen tijdens het jagen weliswaar het risico van slippertjes door hun eigen vrouwen, desondanks leek genetisch onderzoek uit te wijzen dat opscheppers door hun vreemdgang meer nakomelingen op de wereld schoppen dan hun zorgzame kompanen.
De jagers waren niet bezig voor de schijf van vijf van hun gezinnetje, maar liepen achter hun pik aan.