Snuffelen

De vrouw is kieskeuriger dan de man wanneer het gaat om een partner voor de voortplanting. Volgens sociobiologen is dat logisch. Ze heeft immers maar een beperkte hoeveelheid eicellen en vruchtbare jaren tot haar beschikking, terwijl de man miljoenen spermatozoïden kan rondstrooien.
Zoals bekend is, gaan vrouwen bij de keuze van een vader voor hun kind niet alleen op het uiterlijk af. Dacht men vroeger dat het karakter van de man een belangrijke rol speelde, tegenwoordig wordt meer en meer duidelijk dat de keuze voor een niet onbelangrijk deel bepaald wordt door de neus. Dat wil zeggen door de geur van de man. Hoe die ruikt wordt bepaald door een cluster genen, dat ook verantwoordelijk is voor zijn immuunsysteem. Het immuunsysteem regelt de afweer tegen ziektekiemen. Het cluster heet 'major histocompatibility complex' ofwel MHC. Van muizen was al bekend dat de vrouwtjes mannnetjes kozen met een zo verschillend mogelijk MHC. Daardoor wordt inteelt voorkomen en ontstaat bij nakomelingen een zo gevarieerd mogelijk afweersysteem. Vroegere experimenten, waarbij vrouwen aan T-shirts moesten ruiken waarin mannen een nacht geslapen hadden, toonden aan dat ze T-shirts van mannen met van hen verschillend MHC het lekkerst vonden.
Je zou kunnen denken dat deze natuurlijke gang van zaken verstoord wordt door het gebruik van parfum. Uit een onderzoek uit 2001, gepubliceerd in Behavioral Ecology, door Claus Wedekind van het Duitse Max Planck Instituut en Manfred Milinsky van de Universiteit van Edinburgh blijkt dit echter niet. Ze deden onderzoek naar de waardering van parfums. Hoewel de grote parfumhuizen elk jaar met nieuwe geurlijnen komen, blijven de ingrediënten daarvan opvallend gelijk. Parfumrecepten uit de Bijbel bevatten dezelfde stoffen en er zijn aanwijzingen dat ook in het oude Egypte met dezelfde geuren werd gewerkt. De duurste ingrediënten zijn amber en muskus. Amber wordt uit de darmen van de walvis gewonnen en muskus uit de geurklier van een Aziatisch hert.

Wanneer mensen parfums kiezen zou het kunnen zijn dat ze onbewust luchtjes kiezen die hun natuurlijke geur versterken. De onderzoekers namen bloedmonsters om de MHC's te bepalen en vroegen de proefpersonen welke parfumgeuren ze bij zichzelf lekker vonden en welke bij mogelijke partners. De voorkeuren bleken samen te hangen met de MHC-constellaties. Geuren die bij een partner lekker werden gevonden verschilden van de luchtjes die op het eigen vel gewaardeerd werden. Vooral andere geuren bij partners met een zo verschillend mogelijk MHC scoorden hoog. Het lijkt erop dat hier een belangrijk mechanisme ontdekt is om mensenkinderen te voorzien van een zo goed mogelijk immuunsysteem.
Een vrouw zou om die reden bij de keuze van een vader voor haar kinderen het best geblindoekt kunnen zijn.

   
   
 

Vooruitbetaling

Politici maken tegenwoordig een onderscheid tussen legale en illegale drugs. Desgevraagd zullen zij verklaren dat dit onderscheid gebaseerd is op het gezondheidseffect van de stoffen. Illegale drugs zouden schadelijker zijn voor lijf en leden. Dit is echter niet het geval. Bij niet excessief gebruik kunnen heroïne, amfetamine, cocaïne en zelfs crack weinig kwaad. Regelmatig gebruik staat het bereiken van een hoge ouderdom niet in de weg. Datzelfde kan niet worden gezegd van alcohol en nicotine. Alcohol vergroot de kans op sterven in het verkeer, en onze pensioenvoorzieningen en gezondheidszorg zijn betaalbaar doordat een kwart van alle sterfgevallen voortijdig door roken plaatsgrijpt.
Wanneer beleid niet rationeel beargumenteerd kan worden, kan het gewoonlijk geen kwaad wat diepere gevoelslagen aan te boren ter verklaring van de keuzen. Bij drugs ligt het wel voor de hand waar we moeten zoeken. Gedurende de gehele geschiedenis van de mensheid zijn we op zoek naar dit soort stoffen omdat ze plezier verschaffen. Plezier is een gevoel dat vooral door machthebbers met argwaan wordt bezien. Mensen die zich gelukkig voelen zijn moeilijk te beïnvloeden. Waarom zouden ze zich uit de naad werken, belasting afdragen, het risico nemen gedood te worden op het slagveld of een hele kaste van profiteurs van onderhoud voorzien, wanneer ze zich zo ook al prima voelen?
Beter is het wanneer de gewone man zich angstig voelt. Met bange mensen kun je namelijk alle kanten op. Om die reden is het goed gebruik alle gedragingen die plezier kunnen opleveren van hogerhand te bederven. Om die reden heeft men grote moeite gedaan een moraal te introduceren die puriteins is. In onze contreien wordt deze vaak geassocieerd met Calvijn. Kerk en Staat waren vroeger één, en nu de Kerk veel macht heeft moeten inleveren, is het vooral de Staat geworden die nog steeds tracht een puriteinse levenshouding op te leggen. In de tijd van de Kerk volstond het nog te prediken dat plezier zondig was. Als voorbeeld kan de seksualiteit dienen. Deze kon slechts getolereerd worden wanneer ze gepaard ging met schuldgevoel en gevolgd werd door zwangerschap.
De splitsing van drugs in legaal en illegaal door de Staat is gebaseerd op de mate van plezier die men kan ontlenen aan het gebruik. Hoe groter het lekkere effect hoe zwaarder het verbod. Het gedogen van marihuana is gebaseerd op het idee dat het effect niet veel voorstelt. Toen de Nederwiet door gerichte teelt serieuze THC-gehaltes begon te krijgen werd het gedoogbeleid teruggeschroefd. Bij een puriteinse moraal hoort ook het idee dat plezier gevolgd moet worden door straf. Om die reden is alcohol wel toegestaan, terwijl de meeste geweldsdelicten onder invloed van deze drug begaan worden. Een groot verschil tussen alcohol en verboden stoffen is de kater die op de consumptie volgt. Nicotinegebruik ten slotte geeft alleen plezier bij verslaving en gaat door omstandige propaganda gepaard met een nuttig schuldgevoel. Deze stof kan dus legaal blijven. Gezien deze stand van zaken suggereerde de Nature-columnist David Jones in 1998 in zijn Daedalus-column het ontwerp van een nieuwe designerdrug: de 'Pain and Pleasure Pill' (PPPill). Deze zou zo ontworpen moeten worden dat de kater eerst komt en het plezier later. De puriteinen zouden op deze wijze de wind uit de zeilen worden genomen, omdat zij immers al eeuwen hard werk en zelfopoffering voor een ver en onzeker doel propageren. Gebruikers zouden bovendien sociaal wenselijke eigenschappen als een vooruitziende blik en doorzettingsvermogen aanleren.
De PPpil zou het puriteinse geweten op zijn grondvesten aantasten, en daarom legaal blijven.

   
 
 
   
 

Rust roest niet

'Rustig wandelen of fietsen is niet genoeg', wist de krant recent. Gespannen begon ik aan het artikel om te zien welke medische instantie nu weer de vermanende vinger had geheven. Wie schetst mijn verbazing dat geen dokters, maar statistici zich op het oorlogspad van het ongevraagde gezondheidsadvies hadden begeven.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) was na een onderzoek tot de slotsom gekomen dat Nederlanders te veel op hun derrière zitten. Nederlanders moeten veel meer bewegen. Sinds het begin van deze eeuw, zo meldde het bericht, is het lichamelijk zware werk grotendeels door machines overgenomen of lichter gemaakt. Zittend werk is enorm toegenomen. Daardoor, zo ging de prietpraat verder, beweegt een toenemend aantal mensen tijdens het werk onvoldoende. Het gevolg daar weer van, nog steeds volgens het bericht, was dat de spieren en botten te weinig werden belast. Dat van de longen en bloedvaten te weinig werd gevergd om ze in goede conditie te houden, zodat het uithoudingsvermogen achteruitging, waardoor mensen zich minder fit gingen voelen. Maar dat was nog niet het ergste. Op den duur leidde dit alles tot verhoogde risico's op een hartinfarct, bloedvatvernauwing en ontkalking van de botten. Bovendien zouden bloeddruk en cholesterolgehalte stijgen. Om al deze risico's te vermijden, moesten wij elke dag een halfuur sporten, en daarbij was 'rustig wandelen of fietsen niet genoeg'.
Deze opeenhoping van flauwekul leek mij slecht voor mijn bloeddruk. Maar laten we het eens punt voor punt onder de loep nemen. Omstreeks de eeuwwisseling moesten arbeiders zwaar werk verrichten. Nu doen machines dat grotendeels. Je zou verwachten dat die arbeiders heel gezond waren en veel ouder werden dan hun luie hedendaagse collega's. Het tegengestelde was het geval. De enige mensen die vroeger oud werden, waren rijk en zaten de gehele dag op hun reet niets te doen. Ook nu nog eindigen vrijwel alle bouwvakkers voor hun pensioen in de ziektewet.
Steeds meer mensen hebben zittend werk. Wanneer dit slecht zou zijn voor de gezondheid, zou je verwachten dat de gemiddelde levensduur sinds de eeuwwisseling afgenomen zou zijn. Het tegenovergestelde is juist. Ook zou het aantal mensen dat voortijdig overlijdt aan hart- en vaatziekten de laatste decennia, met de komst van de computers, sterk moeten zijn gestegen. Het omgekeerde is het geval: er is sprake van een duidelijke daling van deze sterfte.
Wat betreft de ontkalking van de botten kan worden gesteld dat deze bij vrouwen gewoonlijk pas problemen geeft wanneer zij ouder worden dan 85. En dat worden ze tegenwoordig, anders dan vroeger, heel vaak. Ten slotte is het extra risico van een bloeddruk of cholesterol die iets hoger is dan het gemiddelde, te verwaarlozen.
Het is misschien voor sommige mensen moeilijk te verkroppen, maar de Nederlandse bevolking wordt steeds gezonder en daardoor steeds ouder. Dat heeft vast te maken met onze welvaart en met het bestaan van machines die het zware werk voor ons doen. We zitten veel meer, we eten veel meer en we eten ook veel meer vet. We worden steeds zwaarder en we werden gemiddeld nog nooit zo oud. Uiteindelijk sterven we. We sterven ofwel aan hart- en vaatziekten ofwel aan kanker. Een halfuur sporten per dag of een dieet dat uitsluitend uit appels en peren bestaat, verandert daar niets aan.
Omdat we zo lang leven, is de kwaliteit van ons bestaan wel van belang. Die wordt niet gediend met het genereren van schuldgevoelens over de persoonlijke leefwijze en het verstrekken van absurde ongevraagde adviezen die bovendien elke wetenschappelijke grond ontberen.

   
 
 
   
 

Sexy

Het laatste mannenbolwerk is de wetenschap. Het zijn vooral mannen die de geleerde uithangen. Hoewel professoren bij promoties een jurk aantrekken is hun bedrijf vrouwvijandig. Vrouwen zijn in de stratosfeer van de hooggeleerdheid zeldzaam. Een belangrijk deel van het wetenschapsbedrijf is het verzinnen van verklaringen. Het is niet verwonderlijk dat mannen daarin vaak in de hoofdrol figureren. Maar het lijkt dat de tijden veranderen. Soms is al te horen dat de relativiteitstheorie door een scharrel van Einstein is bedacht.
Zo'n belangrijk mannenbolwerk is de biologie. De grondslag van de biologie is de evolutietheorie. Vanaf 1849, toen Darwin zijn Origin of Species publiceerde, tot kort geleden was dit gedachtegoed mannelijk. Al die mooie frisse dier- en menssoorten waren ontstaan door competitie van mannelijke exemplaren. De sterkste en slimsten mochten de vrouwtjes bevruchten, zodat alle dieren en mensen steeds sterker en slimmer werden. Maar de tijden veranderen. En met de tijden veranderen de theorieën. Wanneer de inhoud van dit soort verzinsels een maat is voor de vrouwenemancipatie, dan schrijdt die voort.
Een oudere, typisch mannelijke biologische theorie wilde dat mannetjes maar één ding wilden. Hun zaad in zoveel mogelijk vrouwtjes injecteren. Vrouwtjes wilden ook één ding. Een slim en sterk mannetje aan zich binden voor een monogaam en zorgzaam bestaan. Het gebonden mannetje ging op jacht voor het gezin, dat achter de geraniums wachtte tot hij met zijn buit terugkwam.
Deze theorie heeft zijn langste tijd gehad. In Promiscuity: An Evolutionary History of Sperm Competition and Sexual Conflict zet de bioloog Tim Birkhead uiteen dat zulke gedachtespinsels niet meer houdbaar zijn. De afgelopen twee decennia hebben biologen zich als dwangmatige voyeurs geworpen op het observeren van paargedrag van honderden diersoorten. Daarbij is de monogamie van vrouwen gesneuveld. Vrouwen blijken weliswaar ook één ding te willen, maar iets anders dan mannen denken. Ze willen zo goed mogelijk zaad om hun eitjes te bevruchten en als ze daarvoor met zoveel mogelijk mannetjes moeten paren, dan doen ze dat. In het inwendige van het vrouwtje moeten al die spermatozoïden nog een meedogenloze competitie uitvechten die slechts door een van de miljoenen gewonnen kan worden. Bij alle voorheen monogaam geachte diersoorten blijkt het vrouwtje stiekem vreemd te gaan met gezond ogende mannetjes. Maar niet alleen gezondheid speelt een rol.
Uit onderzoek naar visjes in het Afrikaanse Malawi meer blijkt dat ook mode een rol speelt. Wanneer sommige visjes mannetjes met blauwe vinnen leuk vinden en andere juist op rood vallen, ontstaan na lange tijd zelfs aparte soorten die zich onderling niet meer kunnen voortplanten. Bij pauwen houden vrouwtjes van grote staarten.
Wanneer we dus willen verklaren waarom vooral mannen zich met wetenschap bezighouden dan is dat in het licht van deze inzichten gemakkelijk. Vrouwen vinden zulke mannen sexy.

   
   
 

Risicowaan

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het verschijnsel elektriciteit bezig z’n entree te maken in de Verenigde Staten. Er werden voorstellen gedaan voor het opzetten van distributienetten. Hierbij werd een hardnekkig gevecht gevoerd tussen Edison en Westinghouse. Edison was voor gelijkstroom, Westinghouse voor wisselstroom. De gelijkstroomlobby lanceerde een natiebrede campagne tegen wisselstroom. Deze zou veel te gevaarlijk zijn voor huishoudelijk gebruik. Men illustreerde deze stelling door te wijzen op de elektrocutie van misdadigers, daarbij werd immers wisselstroom gebruikt.
Professor in de reactorfysica Van Dam gebruikte deze historische feiten over vermeende risico's van energievoorziening in een artikel in Skepter. Het lijkt erop dat onderzoekers altijd op zoek zijn naar risico's. Je zou haast denken dat er behoefte is aan angsten. Al jaren duiken berichten op over kanker door kerncentrales, hoogspanningslijnen, huishoudelijke apparaten, draagbare telefoons en wat niet al. Na langdurige en zorgvuldige analyse van het beschikbare feitenmateriaal blijken deze berichten steeds onjuist. De correctie van deze bangmakerij heeft echter geen nieuwswaarde. Hierdoor ontstaat een sterk vertekend beeld van de wetenschap. Het idee leeft dat door de technische ontwikkeling vooral risico's worden geschapen. In werkelijkheid zijn veel natuurlijke risico's door welvaart en techniek juist opgeheven. Dit wordt overduidelijk wanneer we onze levensverwachting vergelijken met die in ontwikkelingslanden.
Wat betreft de gevaren van elektriciteitsvoorziening laat de statistiek andere uitkomsten zien dan gewoonlijk gedacht wordt. Bij dit soort analyses kijkt men hoeveel doden per gewonnen energie-eenheid te betreuren zijn. Kolencentrales zijn behoorlijk gevaarlijk. Het gaat dan zowel om risico's voor de mijnwerkers als om risico's ten gevolge van luchtverontreiniging.
Zo vond het grootste aan energievoorziening toe te schrijven ongeval plaats in Londen in 1952. Daar kwamen 3500 mensen om als gevolg van een enkele dagen durende excessieve luchtvervuiling. Waterkracht spant echter de kroon. Daardoor vallen drie maal zoveel doden als bij kolen. Dit komt omdat ongelukken met stuwdammen grote aantallen slachtoffers eisen.
Kernergie kost het minste aantal doden. Er wordt wel gedacht dat ongelukken met kerncentrales in potentie massale slachtingen kunnen aanrichten. Uit het belangrijkste ongeluk tot nu toe, in Tsjernobyl, blijkt dat niet. De gezondheidsgevolgen voor de getroffen en gerepatrieerde bevolking zijn vooral van psychosomatische aard. De mensen zijn ongerust en depressief en wijten elke kwaal aan de straling. Er is geen groter aantal geboortedefecten aangetoond. Stuwdammen zijn veel gevaarlijker. In de verenigde Staten zijn er minstens twee, waarvan doorbraak zou leiden tot de dood van 200.000 mensen. Omdat bij een kolencentrale jaarlijks gemiddeld acht ton uranium en vijftien ton thorium wordt geloosd is de stralingsbelasting van zo'n centrale voor de bevolking dus veel hoger dan bij een kerncentrale.
Door veiligheidsmaatregelen zijn wel levens te redden. Er is ook uitgerekend hoeveel dat kost. Zo kun je door programma's in de Derde Wereld voor 200 dollar een leven redden. Door vergroting van de veiligheid van huishoudelijke apparatuur kun je voor 48 duizend dollar een leven redden. Bij bevolkingsonderzoek naar kanker kost een gered leven 75 duizend dollar. Maatregelen ter beveiliging van kernreactors redden levens à 2,5 miljard dollar per stuk en zijn daarmee iets goedkoper dan levens gered door maatregelen ter verbetering van het milieu: hier kost elk leven gemiddeld 2,8 miljard dollar.
Het is jammer dat politici en andere beleidmakers zich vooral laten leiden door maatschappelijke bezorgdheid, want deze volgt de waan van de dag. En dat kost wel levens.

   
 
 
   
  Bevoorrecht

De meest getalenteerde mensen behoren op dit moment zonder twijfel tot de babyboom-generatie. Vooral de ouderen onder hen bezitten een schat aan ervaring. Ze herinneren zich nog de patriarchale jaren vijftig, toen een zwaar bewapende politiemacht uitrukte na het gerucht dat er gratis krenten zouden worden uitgedeeld op de Dam. Toen deze mare juist bleek, werden de geweldloze provocateurs en onschuldige passanten onverbiddelijk in elkaar geslagen. Filmopnamen uit 'Omdat mijn fiets daar stond' mochten niet vertoond worden.
Het was een maatschappij gebaseerd op rang en stand, die panisch was voor elke verandering. De botsing met de jongens en meisjes van de naoorlogse geboortegolf had een heroïsch karakter, waar de huidige jeugd terecht afgunstig op is. Met een feilloos gevoel voor de kwetsbare kanten van de oudere generatie, omarmden de babyboomers drie dingen die voor hun ouders evenzovele nachtmerries waren: seks, drugs en rock 'n roll. De belangrijkste waarden van de vooroorlogse generatie, netheid, gehoorzaamheid en fatsoen, werden door de jongeren ostentatief afgezworen.
De babyboom is een bevoorrechte generatie. De historische veranderingen in de jaren zestig gaven het gevoel dat de samenleving wel degelijk maakbaar was en dat het zelfs mogelijk was het leven sterk te veraangenamen. Voor de jaren vijftig was het leven niet aangenaam. Dit was algemeen bekend en behoefde geen verklaring. Geluk was in het geheel niet gewoon; wanneer men netjes leefde, was er al heel wat bereikt. Bovendien was het zaak gewoon te doen, dan deed men immers al gek genoeg. De neerslachtige drukkendheid van deze publieke moraal kan tegenwoordig nauwelijks nog nagevoeld worden. Evenmin het gevoel van opluchting dat gepaard ging met de ontworsteling eraan.
Hier en daar klinkt momenteel wat kritiek op de opvoeding die de babyboomers hun eigen kinderen hebben gegeven. Hen zou te weinig respect voor anderen en gehoorzaamheid aan autoriteiten zijn bijgebracht. Dit moge waar zijn; maar wie de jaren vijftig niet meegemaakt heeft, weet niet welke vooruitgang op dit terrein geboekt is. De herinnering aan de abject onderdanige benadering van bijvoorbeeld ministers door de pers uit die dagen (ja, excellentie) zorgt nu nog voor plaatsvervangende schaamte.
Babyboomers zijn bevoorrecht omdat ze dit allemaal meegemaakt hebben. Ze weten dat het ook anders kan en dat het op veel plekken op aarde ook anders is. Dit geeft hen een gevoel voor relativiteit. Je zou het wijsheid kunnen noemen. Het is daarom een gelukkige omstandigheid dat op bijna alle belangrijke posten in onze maatschappij babyboomers zitten. Het is niet voor niets dat de meest welvarende landen door vijftigers geleid worden. Ook in de culturele sector, of het nu literatuur, film, muziek of schilderkunst is, worden alle prominente plekken door deze generatie bezet. Waarschijnlijk zal dit de komende vijfentwintig jaar nog wel zo blijven. Het is redelijk dat in democratische samenlevingen de grootste groep de meeste machthebbers levert. Opvallend is ook dat de babyboom-heerschappij een grote welvaart geschapen heeft. Omdat dit hen zelf ook geen windeieren heeft gelegd, is de komende vergrijzing geen reden voor ongerustheid. De ouderen in de komende eeuw kunnen zelf hun privéklinieken en uit de derde wereld afkomstige thuisverpleegsters betalen. Wanneer hun koopsompolissen beginnen uit te keren, kunnen ze naar een warm land, huisvesting achterlatend voor kind en vluchteling. Het is heel begrijpelijk dat jongeren nu afgunst gevoelen. Zo'n mooie tijd komt nooit meer.

   
 
 
   
  Coupé-instinct

In 1993 kwam het boekje De grote volksverhuizing van Hans Magnus Enzensberger uit. Hij wees erop dat na een eeuw paleontologisch onderzoek de herkomst van de 'homo sapiens' nog steeds niet afdoende was verklaard. Het leek erop dat deze species voor het eerst op het Afrikaanse continent voorkwam en dat ze zich door een lange keten van migraties over de planeet had verspreid. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de menselijke soort waren het jagers, verzamelaars en herders. Honkvastheid is van betrekkelijk recente datum en hangt waarschijnlijk samen met de opkomst van de landbouw. Dit nomadisch verleden heeft zijn genetische sporen nagelaten. Het ligt voor de hand te denken dat het massatoerisme en de hartstochtelijke liefde voor de automobiel daarop kunnen worden teruggevoerd.
Volgens Enzensberger kan de geschiedenis van de mensheid gelezen worden als een lange serie roof- en veroveringstochten, slavenhandel en deportatie, kolonisatie en gevangenschap.
Steeds was een aanzienlijk gedeelte van de mensheid in beweging, op trektocht of op de vlucht. Al deze circulaties leidden tot voortdurende turbulenties.
Wanneer trekkenden stuiten op gevestigden treedt de parabel van de treincoupé in werking. Reizigers die al enige tijd in een coupé verblijven installeren zich. Kapstokken en bagagerekken zijn in gebruik, her en der slingeren kranten, jassen en handtassen. Wanneer op een volgend station nieuwe reizigers binnenkomen, wordt deze komst niet toegejuicht. Met duidelijke weerzin gaat men dichter op elkaar zitten en maakt vrije plaatsen leeg. De oorspronkelijke reizigers, ook al kennen zij elkaar niet, gedragen zich eensklaps als een solidaire groep wier territorium bedreigd wordt. Gelukkig vereist de institutionele code van de spoorwegen dat ze hun territoriale instinct in toom houden. Dus worden alleen wat blikken gewisseld en binnensmonds verontschuldigingsformules gemompeld. Zelfs in doorgangsverblijven bij uitstek als treincoupés treedt dit type emoties op. Echte migratie leidt helemaal tot conflicten.
Groepsegoïsme en vreemdelingenhaat zijn antropologische constanten. Om voortdurende bloedbaden te vermijden, hebben oude samenlevingen de taboes en rituelen van de gastvrijheid bedacht. De gast is heilig. Maar hij mag niet blijven.
Wanneer weer een station verder opnieuw twee nieuwe passagiers de coupé in komen, treedt een opmerkelijk fenomeen aan het licht. De status van degenen die het laatst waren binnengekomen verandert. Zojuist waren ze nog indringers, buitenstaanders, nu zijn ze ineens veranderd in autochtonen. Ze behoren nu bij de clan van de coupébezitters. Met razendsnelle vergeetachtigheid wordt de eigen herkomst verborgen en verloochend. Voorbeelden van dit mechanisme waren in de vaderlandse pers recent aan de orde van de dag. In HP/DE TIJD meende Nelly Cooman dat Nederland nu vol was. Maar ook meer gestudeerde treinpassagiers mengden zich in het territoriale debat. Dat hun achternamen wezen op recent instappen illustreerde deze wetmatigheid. Bolkestein, wiens voorouders vroeger klaarblijkelijk Duitsland hebben verlaten, meende dat uitgeprocedeerde asielzoekers uit hun huis gezet moesten worden. De Leidse ethica mevrouw Dupuis, zonder twijfel afstammend van gevluchte Hugenoten, wilde de grenzen sluiten. Dat deze oplossingen praktisch noch ethisch zijn lijkt buiten kijf. Het zijn symbolische uitingen van coupé-instinct. Gezien de absolute toename van de wereldbevolking zal de trein in de toekomst overigens een Indiaas uiterlijk krijgen. Er zullen naast zitplaatsen en staanplaatsen ook dakplaatsen, hangplaatsen, vensterplaatsen, bagagerekplaatsen en onderstelplaatsen ingenomen worden.

   
 
 
   
  Ziekte-evolutie

Een nieuwe loot aan de medische stam is de Darwinistische geneeskunde. De Scientific American van november 1998 wijdde er een artikel aan. De orthodoxe geneeskunde probeert de oorzaak van ziektes te achterhalen en daarvoor een remedie te vinden. De Darwinistische geneeskunde vraagt zich af waarom het menselijk lichaam zo geëvolueerd is dat het vatbaar is voor allerlei aandoeningen.
De leidende gedachte daarbij is dat, om met Johan Cruyff te spreken, elk nadeel z'n voordeel moet hebben. Ziekte en ongemak moeten de overlevingskans vergroot hebben, anders zouden ze niet meer bestaan. Van een paar dagelijkse problemen liggen die nuttige effecten voor de hand. Hoesten is nodig om ongewenst materiaal uit de longen te verwijderen. Mensen die niet kunnen hoesten sterven aan longontsteking. Het voelen van pijn is ook nuttig. Mensen die geen pijn kunnen voelen, blijven te lang in dezelfde houding, waardoor weefsels onvoldoende doorbloed worden en beschadigd raken. Pijnvrije mensen worden niet oud. Ze sterven aan kapotte weefsels en infecties. Hoesten en pijn zijn dus geen ziekten, maar verdedigingsmechanismen, die door natuurlijke selectie zijn ontstaan. Ditzelfde geldt voor koorts, misselijkheid, diarree, angst, vermoeidheid, niezen en ontsteking. Bij koorts zet het lichaam de thermostaat een tandje hoger om bacteriën en virussen te doden. Koudbloedige dieren als hagedissen zoeken bij infecties warme plekken op. De ochtendmisselijkheid van zwangere vrouwen treedt op in de fase waarin de foetus extra gevoelig is voor giftige stoffen. Vrouwen met meer misselijkheid hebben minder miskramen. Medicijnen tegen ochtendmisselijkheid kunnen geboortedefecten veroorzaken doordat ze interfereren met het uitbraken van potentieel gevaarlijke stoffen. Diarree is een manier van het lichaam om darminfecties te boven te komen. Door het gebruik van stoppende middelen duurt de ziekte vaak langer.
Bangheid heeft ook vaak overlevingswaarde. In een experiment met guppys werden drie groepen onderscheiden. Bange die zich ogenblikkelijk verstopten wanneer een grote vis in beeld kwam, normale, die alleen maar weg zwommen en dappere die zich er niets van aantrokken. De drie groepen werden apart in een aquarium met een baars gestopt. Na zestig uur waren nog 40 % van de bangeriken in leven en nog vijftien procent van de normale. De dappere guppys leverden alleen nog een bijdrage aan de overleving van de baars, ze waren er niet meer.
Maar niet alleen mensen evolueren. Micro-organismen ook, en helaas veel sneller. De bacterie E. coli plant zich zo razendsnel voort dat mutatie- en selectiekansen van één dag gelijk zijn aan duizend jaar menselijke reproductie. De kwaadaardigheid van micro-organismen is afhankelijk van de wijze van verspreiding. Wanneer besmetting plaatsvindt door persoonlijk contact is het voor het overleven van de ziekteverwekker van belang de gastheer zo lang mogelijk te laten rondlopen. Hij zal in de loop van de tijd minder virulent worden. Wanneer de besmetter een intermediair is zoals de mug bij malaria, maakt het niet uit of de gastheer snel sterft. Bij goede sanitaire voorzieningen heeft een goedaardige cholerabacterie, die het moet hebben van aanraking meer kans. Wanneer al het water besmet is, hebben meer virulente bacteriën al snel de overhand.
Evolutionaire geneeskunde voorspelt dan ook dat door het gebruik van schone naalden en condooms minder virulente AIDs-virussen, die het slachtoffer langer laten leven, het zullen winnen van de zeer kwaadaardige. Het terugdringen van de snelheid van overdracht bevoordeelt de minder lethale stammen.
Een laatste evolutionair inzicht betreft genen die zelf zowel voordeel als nadeel brengen. Zo zouden genen die veroudering veroorzaken in de jeugd overlevingsvoordeel kunnen bieden. Bij de toenemende vergrijzing wellicht een interessant studiegebied.

   
   
  Moeder aarde

Vanaf 1500 voor Christus tot het begin van het Christendom werd de aardgodin Gaia vereerd in Griekenland. Het orakel van Delphi was aan haar gewijd totdat de verering van Apollo daar de overhand kreeg. Ze werd gezien als een wat luie godin, die zich niet erg bemoeide met de wereld en pas na aanmoediging van Eros overging tot het scheppen van de zee en het uitspansel. Bijna twintig jaar geleden werd ze weer tot leven gewekt door James Lovelock met zijn boek Gaia, a New Look at Life on Earth. Gaia, of moeder aarde was verantwoordelijk voor het bestaan van het leven op aarde gedurende de laatste vijf miljard jaar. De aarde kon gezien worden als één groot organisme dat zelf de omstandigheden in stand hield waarin leven mogelijk was. De hypothese van zo'n homeostase werd slecht ontvangen in de wetenschappelijke gemeenschap. Misschien nog het meest killing voor de theorie was de omhelzing door de New Age beweging.
Sindsdien zijn er echter twee boeken uit gekomen die Gaia een wetenschappelijker aanzien gaven. Van G.J. Williams verscheen The Molecular Biology of Gaia. Hij laat daarin zien dat op het niveau van moleculen en enzymen een groot aantal essentiële zichzelf in stand houdende processen onderkend kunnen worden. In 1998 verscheen Gaia's Body: Toward a Physiology of Earth, van Tyler Volk. Hij bekijkt het leven op een minder microscopische schaal. De belangrijkste spelers in Gaia's metabolische systeem zijn bij hem groepen organismen die zich bezighouden met fotosynthese, ademhaling, sulfaatreductie en stikstofbinding. Volk laat overtuigend zien dat Gaia vergeleken kan worden met een levend wezen. Het water dat steeds van de continenten afvloeit, de atmosferische en oceanische stromingen zijn een onophoudelijke kringloop. De op- en neergaande hoeveelheid kooldioxide in de lucht bij Hawai is rechtstreeks verbonden met de afwisselende fotosynthese en ademhaling van de planten op het Noordelijk halfrond. Zo zijn er veel meer zichzelf onderhoudende cycli te ontwaren. Het leven op aarde lijkt voor zichzelf condities te scheppen waarin het kan blijven bestaan.
Deze observaties zijn moeilijk te slikken voor de evolutiebiologie zoals die tegenwoordig vanuit Oxford gepredikt wordt door onder andere Richard Dawkins. In zijn laatste boek Climbing Mount Improbable, tracht hij aan te tonen dat alles in de natuur via enerzijds toevallige mutatie en anderzijds een voortdurend selectieproces is ontstaan.
Wanneer we een complex proces in de natuur ontwaren, dan is dat volgens deze denkers wetmatig langs deze weg tot stand gekomen. Door een continue concurrentie overleven de best toegeruste individuen. Daarvoor zijn wel flinke aantallen nodig. Daar wringt hem de schoen. Gaia is ontstaan zonder mededinging van een grote groep minder goed georganiseerde planeten.
De denkbeelden die Stuart Kauffman in At home in the Universe ontvouwt zijn meer in overeenstemming met Gaia. Naar zijn idee vertonen systemen wanneer ze een drempel van complexiteit hebben overschreden een spontane zelforganisatie. Hij noemt die "gratis orde". Het leven is zo'n complex systeem. Met alleen een Darwinistische verklaring is de organisatie van een cel of een ecosysteem niet begrijpelijk. Darwin zelf vond dit overigens ook. Aan het slot van zijn Inleiding van de Origin of Species, schrijft hij: "Ik ben ervan overtuigd dat natuurlijke selectie de belangrijkste, maar niet de enige oorzaak van verandering van soorten is geweest.

  Op de helft

Door de milieubeweging wordt de natuur gewoonlijk voorgesteld als een harmonieus geheel, dat door menselijke activiteiten meer en meer verstoord raakt. En hoewel het waar is dat menselijke hebzucht de aarde een steeds onplezieriger plaats maakt om te leven, is het niet zo dat milieu zonder ons in balans is.
Sinds het begin van de aarde is deze voortdurend in verandering geweest; veranderingen die veel drastischer waren dan het veronderstelde broeikaseffect. Het milieu waarin we momenteel leven is de creatie van levende organismen. De lucht die we inademen bestaat voor achttien procent uit zuurstof en voor een fractie van een procent uit kooldioxide. In het begin was dat anders. Er was een hoge concentratie kooldioxide en geen zuurstof. Die kooldioxide werd uit de atmosfeer gehaald door algen en bacteriën en afgezet in gesteenten. De zuurstof kwam pas veel later door de activiteit van planten. Zuurstof is zeer onstabiel en moet steeds bij geproduceerd worden. De natuurlijke omgeving zoals we die nu kennen is het resultaat van de activiteit van levende organismen. Ieder organisme is in zekere zin druk doende zijn levensvoorwaarden te produceren en te vernietigen. Mensen zijn daar niet uniek in. Iedere bacterie gebruikt voedsel en scheidt producten af die giftig voor hem zelf zijn.
Het idee dat er een constante natuur is en dat wij mensen die te gronde richten is onjuist. Het is een natuurwet dat levende wezens het milieu waarin zij verkeren veranderen. Planten veranderen niet alleen de lucht maar ook de bodem. Door de wortels krijgen schimmels toegang tot de grond en door de verdamping reguleren ze het grondwaterniveau. Wormen dragen door hun uitwerpselen bij tot de vruchtbaarheid. Het landschap van Noord-Amerika werd tot het begin van de vorige eeuw vooral bepaald door de activiteit van bevers.
Dat wat we momenteel als natuur om ons heen zien was 60.000 jaar geleden geheel afwezig. Onze streken waren bedekt met een kilometers dikke laag ijs. Er is weinig balans of harmonie te bekennen in de natuur. 99,9 procent van alle soorten die ooit hebben bestaan, is uitgestorven en uiteindelijk is dat ons aller lot.
Het leven op aarde is op de helft. Volgens recente schattingen verschenen de eerste levende organismen zo'n drie tot vier miljard jaar geleden op aarde. Uit onderzoek naar sterren is bekend dat na een volgende drie tot vier miljard jaar de zon zal uitzetten en ons zal opbranden.
Het zou goed zijn wanneer de milieubeweging het romantische idee van een harmonieuze natuur die zoveel mogelijk moet worden geconserveerd verlaat. De vraag waar het om draait is hoe wij onze leefomgeving wensen. Dat we haar veranderen is onvermijdelijk.
Misschien kunnen we plannen maken om ons uitsterven een paar duizend jaar uit te stellen.

   
   
  Moeders schuld

Alles wat deze eeuw is misgegaan is moeders schuld. Er is weinig waar moeders in de afgelopen eeuw niet van beschuldigd zijn en tot overmaat van ramp verwijten zij zichzelf ook alles wat naderhand het geluk van de kinderen in de weg lijkt te staan.
In Mothers: The Politics of Blame in 20th-Century America onder redactie van Molly Ladd-Tayler en Lauri Umansky, is een opsomming te vinden die meer dan 400 pagina's beslaat. Momenteel is het zo dat wanneer je alcoholist bent, of persoonlijkheidsproblemen hebt, wanneer je lijdt aan anorexia, een jeugdige delinquent bent of moordenaar, wanneer je schizofreen bent of aan wiegendood overleden, het waarschijnlijk is dat jij of iemand in jouw plaats je moeder daarvan de schuld zal geven. Waarschijnlijk zal ze zichzelf ook verwijten maken. Vaders krijgen nooit de schuld. Wanneer ze autoritair zijn, of juist onzeker, komt dat door de slechte invloed van hun moeders.
Theodore Roosevelt meldde in 1917 dat pacifistische moeders door hun pathologische band met hun zonen verzwakte lafaards van ze maakten, die bijdroegen aan de morele desintegratie van het land. In 1928 droeg de beroemde psycholoog J.B. Watson zijn boek Psychological Care of Infants and Children op aan 'de eerste moeder die een gelukkig kind grootbrengt', om te vervolgen met grote twijfels aan die mogelijkheid. Al eerder had de psychoanalyticus J.C. Flügel in The Psychoanalytic Study of the Family (1921) betoogd dat moeders door hun gezeur en overbezorgdheid kinderen produceerden, die tot geen enkel sociaal leven in staat waren. In 1942 schreef P. Wylie in Generation of Vipers dat vrijwel alle problemen van de Amerikaanse maatschappij te wijten waren aan moederverering. In de tweede druk die op het hoogtepunt van de communistenjacht van McCarthy uitkwam, werden moederschap en communisme als verwante kwaden afgeschilderd. De psychiater E. Strecker vergeleek in Their Mothers' Sons in 1946 'momisme' met nazisme. Het nazidom was niets anders dan een 'Momarchie', 'een moedersurrogaat met het hakenkruis als hart'. Hitler was een soort supermoeder, naar zijn inzicht.
Sindsdien is het allemaal niet veel beter geworden. Uit een inhoudelijke analyse van 125 artikelen in negen verschillende geestelijke gezondheidstijdschriften uit de jaren 1970, 1976 en 1982 bleek dat moeders daarin de schuld kregen van 72 soorten problemen bij hun kinderen. Deze varieerden van bedplassen tot schizofrenie, van kleurenblindheid tot agressief gedrag en van leerproblemen tot transseksualiteit. Het blijft echter niet bij schelden. De in 1996 in de Verenigde Staten uitgevaardigde Personal Responsibility Act schrapte alle bijstand aan alleenstaande moeders met van hen afhankelijke kinderen. De inspiratoren van deze barbaarse maatregel waren Charles Murray en Richard Hernstein die in hun boek The Bell Curve hadden aangetoond dat er een duidelijke correlatie was tussen het ongehuwde moederschap en armoede en misdaad. Een uitkering zou met name zwarte pubers ertoe aanmoedigen niet te gaan werken, maar zwanger te worden en thuis te gaan zitten. Volgens de auteurs is het interessant in dit verband de vergelijking met welgestelde moeders te maken, die juist voor slecht worden gehouden wanneer ze buitenshuis gaan werken en hun kind in de crèche doen.
Opmerkelijk is ten slotte dat wetenschappelijk onderbouwd advies over goed moedergedrag schittert door afwezigheid. Er is niets bekend over een goede leeftijd voor het moederschap of over het effect van thuisblijven. Of je een klap mag geven, welke slaapgewoonten goed zijn, of een baby bij zijn ouders in bed mag slapen, de lijst van onzekerheden is eindeloos.
Dat is handig, want zo blijft het altijd moeders schuld.

   
   
  Neandertal-dieet

'Salad, the silent killer' heet een hoofdstuk uit Jeffrey Steingarten's boek uit 1998, The Man Who Ate Everything. Steingarten is de eetschrijver van onder andere Vogue, en heeft net als ik een hekel aan rauwe groenten. Mensen die bij elke maaltijd rauwkost eten, houden er naar zijn idee drie onjuiste opvattingen op na. De eerste is dat voedsel ofwel vergif is, dat je dik en zwak maakt, ofwel medicijn, waar je sterk en slank van wordt. De tweede is dat sla en rauwkost in de laatste categorie behoren; en de derde dat het plantenrijk door een goedaardige macht speciaal voor ons plezier en welzijn is geschapen.
Deze veronderstellingen zijn gevaarlijke onzin. Op broccoli of spinazieblad zou een waarschuwing moeten komen die luidt: 'Overmatig gebruik schaadt de gezondheid en kan tot de dood leiden'. Dat komt niet door middelen waarmee de planten bespoten zijn, maar door stoffen in de groenten zelf. Omdat planten zich niet kunnen verstoppen of weglopen voor buurplanten, bacteriën, schimmels, kevers, slakken, vogels en andere dieren, produceren ze gifstoffen. Deze zijn vaak heel subtiel. Walnootbomen scheiden groeiremmers af om planten uit de buurt te houden. Appelbomen en tarweplanten doen dat via hun wortels. Andere planten produceren groeistoffen waardoor insecten zo snel oud worden dat ze zich niet kunnen voortplanten.
Voor menselijke bedreiging kent de plant vier soorten verdediging: opnameblokkers, gif, mutagenen en carcinogenen. De eerste stoffen binden zich aan vitaminen en mineralen en verhinderen zodat ze in de darm worden opgenomen. Rauwe spinazie en rauwe biet zorgen zo dat onder andere ijzer en calcium weer ongebruikt het menselijk lichaam verlaten. Rode kool en spruitjes binden een vitamine B. De meeste bonen en noten verhinderen in rauwe vorm de opname van eiwitten. Vergiftig zijn te kort gekookte bamboescheuten en Limabonen, ze bevatten cyanide. Rauwe kool, broccoli en radijs verhinderen de opname van jodium, waardoor kropgezwellen ontstaan. Een van de meest kankerverwekkende stoffen, aflatoxine, komt in gevaarlijke hoeveelheden voor in beschimmeld graan en pinda's. Hydrazine dat in basilicum, mosterd en rauwe champignons zit is al even gevaarlijk. Wanneer je graag rauwe planten eet is het verstandig je te beperken tot rijpe vruchten. Die worden door de plant namelijk speciaal voor consumptie gemaakt, om de zaden te verspreiden.
We beleven volgens Steingarten momenteel de veertigduizendste verjaardag van het koken. Koken is de enige manier om al die nare stoffen onschadelijk te maken. Antropologen suggereren dat de Homo Sapiens zo snel de Neandertalers opvolgde, omdat hij kon koken en de Neandertalers niet.
Neandertalers met hun korte wijkende voorhoofden en slechte houding bleven salade en rauwkost eten. Daardoor stierven ze uit. Daarom is deze term volgens Steingarten nu van toepassing op primitieve, domme mensen die nog steeds net zo eten als zij.

   
   
  Vlooitaal

We leven momenteel in een korte warme periode van een grote ijstijd. Een zogenaamd interglaciaal. Deze laatste van de zeven bekende ijstijden begon 1,7 miljoen jaar geleden. Zo'n 100.000 jaar geleden werd het warmer. De mensheid is tijdens deze ijstijd ontstaan. Naar men tegenwoordig veronderstelt, is zij afkomstig uit de Afrikaanse savannen. Met haar verspreiding naar koudere gebieden is, volgens sommige theoretici, taal ontstaan. Op de savannen kon men elkaar op grote afstand zien, zodat gebaren en lichaamshoudingen voldoende waren om te communiceren. In koudere streken was het niet lekker altijd buiten te zijn. In de donkere grotten en holen werden auditieve signalen steeds belangrijker. Volgens de wetten van Darwin selecteerde de natuur die mensen uit die daar goed in waren. Psychologen gaan ervan uit dat er een relatie is tussen taal en zelfbewustzijn. De Afrikaanse mensachtigen liepen dus eerst bewusteloos rond. De taalontwikkeling kan ook verder bevorderd zijn door het ontstaan van landbouw. Landbouw maakt communicatie noodzakelijk. Er is bovendien tijdsbesef en het vermogen om plannen te maken voor nodig.
Het interessante aspect van alle bekende talen is echter dat er zoveel woorden zijn om het karakter van mensen te beschrijven. Zo kent het Nederlands maar liefst 1200 woorden die met persoonlijkheidskenmerken of karaktertrekken te maken hebben. Dat is des te opvallender omdat met psychologisch onderzoek eigenlijk maar vijf karaktertrekken gevonden kunnen worden. Bovendien blijkt dat het gedrag van mensen veelal beter verklaard kan worden vanuit de omstandigheden waarin zij verkeren, dan door eigenschappen van de persoon. Het was altijd onbegrijpelijk hoe deze overdaad aan verzonnen woorden via de evolutie ontstaan kon zijn.
Gelukkig is er nu een hypothetische verklaring voor het fenomeen. De Engelse antropoloog Robin Dunbar meent dat taal ontstaan is om te roddelen. In Grooming, Gossip and the Evolution of Language uit 1999 bespreekt hij de mogelijkheid dat taal geëvolueerd is als een goedkope en efficiënte manier van vlooien. Hiermee houden mensapen zich ongeveer twintig procent van hun wakende tijd onledig. Ze verwijderen ongerechtigheden uit elkaars vacht. Volgens Dunbar een manier om aanhankelijkheid te betuigen, waardoor de cohesie van de groep versterkt wordt. Omdat mensachtigen in grotere groepen kwamen te verkeren, waarin meer allianties ontstonden, was steeds meer tijd voor vlooien nodig. Dat kon niet. Er moest ook tijd overblijven voor eten, jagen en seks. Roddel is verbaal vlooien. Het is voordeliger omdat je zo met dezelfde tijdsinvestering een groep kunt bereiken.
Uit recente onderzoekingen blijkt inderdaad dat roddel ongeveer tweederde van alle menselijke conversatie uitmaakt. Te denken dat het daarom ook de oorzaak van het ontstaan ervan is, wordt wel de drogreden van het meest frequente gebruik genoemd.
Zo redenerend zouden computers bedacht en ontwikkeld zijn om ermee naar porno te kijken op het internet.

 
 
   
  Bacterievreters

Gelovige hindoes verbranden hun dode geliefden graag aan de oevers van de Ganges, nabij Benares. De as kan dan in de rivier worden gestrooid. Hout is echter schaars en duur in de droge omgeving. Dit betekent dat eigenlijk alleen rijke families zich voldoende hout kunnen permitteren. De arme gestorvenen worden half opgebrand in de rivier gegooid. De heilige stroom wordt verder vervuild door de uitwerpselen van miljoenen mensen en dode heilige koeien. Toch is er een aanhoudende stroom pelgrims die zich in het water wast en het drinkt.
Je zou verwachten dat deze vrome gebruiken grote epidemieën zouden veroorzaken. Dat is niet het geval. De rivier is niet voor niets heilig.
Onderzoek heeft uitgewezen dat het rivierwater veel bacteriofagen, bacterievreters bevat. Deze virussen voeden zich met bacteriën en kunnen zich in enkele uren van één tot miljarden vermenigvuldigen.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog onderzocht de Canadese wetenschapper, Felix d'Hérelle de mogelijkheden van deze bacteriofagen als geneesmiddel bij infecties. Hij slaagde er niet in ze in gepaste hoeveelheden te produceren. De American Medical Association wees zijn werk af als 'tegenstrijdig'. Toen daarna penicilline werd uitgevonden raakten zijn vindingen in het vergeetboek. Tenminste in West-Europa.
In Georgië in Rusland ontdekte de microbioloog George Eliava dat de rivieren daar ook zelfreinigende eigenschappen hadden. Hij begon een instituut voor de studie van bacteriofagen in Tblisi. Helaas werd hij bij de zuiveringen van Stalin in 1937 doodgeschoten. Het instituut bestaat nog steeds en vervaardigt onder primitieve omstandigheden bacteriofaagtherapieën voor moeilijk genezende bacteriële infecties. In Rusland en Polen worden deze wijdverbreid toegepast voor bijvoorbeeld infecties van brandwonden.
De bacteriofagen hebben enkele voordelen boven antibiotica. Om te beginnen zijn ze gespecialiseerd. Ze zijn kieskeurig en eten elk maar één soort bacterie. Een antibioticum, zeker de zogenaamde breedspectrumvariant, doodt alle micro-organismes die het tegenkomt. Ook de lichaamsvriendelijke en noodzakelijke bacteriën leggen het loodje. Verder is het handig dat de bacteriofagen zich alleen daar vermenigvuldigen waar ze nodig zijn. Het belangrijkst op dit moment is echter dat bacteriën niet resistent worden tegen bacteriofagen. De virussen evolueren samen met hun voedsel.
Nu steeds meer gevaarlijke bacteriën resistent worden voor alle beschikbare antibiotica, lijkt deze onderzoeksrichting een uitkomst te bieden. Het is echter de vraag of de grote farmaceutische industrieën hierin geïnteresseerd zijn. De Oost-Europese wetenschap heeft niet zo'n hoge status. Wanneer de giganten wel onderzoek gaan doen naar bacteriofagen kunnen ze het in Tblisi verder ook wel schudden. Er zullen onmiddellijk patenten genomen worden op alle bekende en denkbare bacterievreters, zodat het onderzoek gemonopoliseerd kan worden en de nu nog lage prijzen opgedreven.
De internationals met hun miljardeninvesteringen in research naar nieuwe antibiotica zullen de arme onderzoekers uit Tblisi, die in het ziekenhuisriool zoeken naar virussen die bacteriën eten, wegvagen.

   
   
  Zieke techniek

Stel dat er een nieuwe technologie bedacht zou worden, waarvan de consequenties te overzien waren. Bekend zou zijn dat door de uitvinding de economie gedestabiliseerd zou worden. De techniek zou een zeer groot aantal onnozele halzen verleiden tot het investeren van hun spaarcentjes in piramide-achtige beursconstructies. Gewetenloze lieden zouden straffeloos miljarden opstrijken. Daarnaast zou het een ernstige aantasting van de privacy van de burgers inhouden. Al hun communicatie zou door iedereen met geld of macht kunnen worden bijgehouden. Door de invoering van de techniek zou op grote schaal een uitstroom van oudere werknemers op gang komen. De kwetsbaarheid van de nieuwe systemen zou een voortdurende bron van werkstress betekenen.
De technologie zou zeer snel in grote gebieden van de maatschappij voort woekeren. De belofte aan groeiende arbeidsproductiviteit zou niet worden ingelost. Tegenover de beperkte werkbesparing zou een nieuw leger systeembeheerders staan. Ook zou het voor alle werknemers nodig zijn om steeds opnieuw cursussen te volgen om de steeds veranderende technologie te blijven begrijpen.
Maar dat zou nog niet alles zijn. De nieuwe technologie zou ook nog direct ziekmakend zijn. Het Centraal Bureau voor de Statistiek zou berekenen dat negentien procent van de beroepsbevolking ernstige pijnklachten zou krijgen. TNO Arbeid zou met een hoger getal komen: 30,5 procent van de beroepsbevolking. Ten slotte zou het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne profeteren dat van alle Nederlanders boven de 25 jaar 44,5 procent pijn in nek, schouder of bovenrug zou krijgen door het werken met de nieuwe techniek.
Het ergste aan deze epidemie zou het ontbreken van een werkzame therapie zijn. De toch al overbelaste gezondheidszorg zou op alle bekende manieren tevergeefs trachten de lijders te genezen. Fysiotherapeuten zouden wrijven, knijpen en kraken dat het een aard had. Artsen zouden absolute rust voorschrijven. Bedrijven zouden de techniek omringen met allerhande ergonomisch verantwoorde hulpstukken. Ten slotte zou in arren moede gegrepen worden naar een zogenoemde multidisciplinaire aanpak. Huisartsen, orthopeden, arbeidsdeskundigen, fysiotherapeuten, ergonomen, arbeidsgezondheidskundigen en psychologen zouden hun kennis en kunde bundelen om de grote massa geblesseerden te behandelen. De resultaten van al dit gedokter zouden echter miniem zijn. Wel zou een onvoorstelbare hoop nieuw werk voor deze gezondheidswerkers worden geschapen. Hierdoor zouden andere in de vergrijzende bevolking veel belangrijkere gebieden in de gezondheidszorg braak komen te liggen. Bij het voortduren van de epidemie zouden in hun gezondheid aangetaste burgers met juridische procedures gaan trachten hun werkgevers te laten betalen voor hun door werk ontstane gezondheidsschade. Het toch al overbelaste juridische systeem van het land zou daardoor volledig ontregelt raken.
Een verstandige overheid zou zo'n ontwikkeling niet toestaan. Wanneer die echter al op gang was gekomen zou ze deze zoveel mogelijk moeten trachten af te remmen.
Een verbod van de technologie op de scholen zou een begin kunnen zijn.