Over 'de' affaire uit 1996 praat hij niet meer: dat is een gesloten boek. De existentiële angst is hij voorbij. 'Ik ben niet meer bang.'   Interview met René Diekstra door Edwin Odin in Psychologie Magazine oktober 2005.
   
  'ik groeide op in het universum van de voorwaardelijke liefde. Als je de dansjes deed die van je werden verlangd, mocht je er zijn, maar je kon ook zo weer worden afgeschreven'.
   
  'Het maakt niet meer uit wat mensen van me denken'

Wie ben je?

`Ik ben een leerling. Iemand die voortdurend bezig is te ontdekken hoe dingen in elkaar zitten. De vraag die mij vooral bezighoudt, is: wat brengt mensen ertoe om bepaalde dingen wel of niet te doen? Meestal bestaat daar niet één antwoord op, er zit altijd weer een deur achter de eerste deur. Ik ben altijd maar bezig te proberen volgende deuren open te krijgen. Door na te denken, te onderzoeken, te lezen.
Een van de onderwerpen waarvoor ik mij sterk interesseer, is zelfdoding. Als adolescent zat ik in de generatie van eind jaren zestig. Wij distantieerden ons van de cultuur van onze vaderen en we waren bereid heel ver te gaan in de confrontatie met het oude. We wilden botsen, met het hele leven. We leefden op het scherp van de snede, zochten heftige conflicten op met onze ouders. Op een gegeven moment kon het je zelfs helemaal niks meer schelen of je voorgoed van ze losdreef. Dat had iets destructiefs. En iets zelfdestructiefs.
Ondanks dat heb ik nooit geprobeerd mijn leven te beëindigen. Ik heb er wel regelmatig aan gedacht. Tijdens mijn affaire ben ik behoorlijk suïcidaal geweest. In dezelfde tijd kreeg iemand uit mijn familie, die het ver had geschopt in het zakenleven, soortgelijke problemen op zijn bord. Misschien niet zo heftig, maar toch. Als reactie daarop maakte hij een eind aan zijn leven. Als je dezelfde achternaam hebt, en je hebt voor een deel dezelfde genen, en je bent ongeveer even oud, dan komt onvermijdelijk de vraag op: wat is nou het verschil geweest tussen hem en mij? Waarschijnlijk zijn het de inzichten uit de psychologie geweest die mij hebben gered. Enige tijd geleden kreeg ik een brief van de vroegere secretaresse van dat familielid. Ze had mijn boek Als leven pijn doet geredigeerd. Ze liet me weten dat ze het overdonderend vond, maar ook schokkend: "Als hij dit had gelezen," schreef ze, "dan had hij het mogelijk niet gedaan."
Zelf heb ik ook heel lang vooral op pijn gefocust. Wij waren thuis met elf kinderen. Aan de trog van de ouderlijke genegenheid stonden te veel gegadigden. Om zo'n grote club te runnen, gebruikten mijn ouders vaak, te vaak, het wapen van de straf. Ik groeide op in het universum van de voorwaardelijke liefde: alleen wanneer je als kind de dansjes deed die er van je werden verlangd, mocht je er zijn. Maar je kon ook gemakkelijk worden afgeschreven, op je kamer worden opgeborgen, wachtend tot vader boven kwam om klappen uit te delen. Het was dikwijls onvoorspelbaar, je wist nooit precies wat je moest doen om in de gunst te blijven. Daardoor is het heel moeilijk om een bodem in je zelfvertrouwen te ontwikkelen. Ik heb lange tijd in mijn leven het gevoel gehad van "nooit goed genoeg" te zijn: "Hoe ik me ook inspan, hoe aardig of betrokken ik ook ben, je kunt ieder moment weer uit de gratie raken." Ik heb keihard gewerkt. Op mijn 32ste was ik hoogleraar, en rond mijn veertigste had ik driehonderd wetenschappelijke artikelen op mijn naam staan. Het bleek het dempen van een bodemloze put. Ik schreef tientallen boeken, maar ik genoot er niet echt van. Kwam er een boek uit, dan was ik al lang weer bezig met het volgende.
Totdat ik op een dag bij Kierkegaard las: "Het leven is de leerschool van de angst." Toen viel niet het kwartje - er donderde een hele bák munten door mijn hoofd. Ik realiseerde me dat ik al die tijd zo vreselijk hard had gewerkt omdat existentiële angst een heel belangrijke drijfveer was in het gezin waarin ik ben opgegroeid, en ik daar mogelijk gevoeliger voor was dan anderen. Die angst voor "er niet mogen zijn" ben ik kwijt. Ik ben niet meer bang. Al helemaal niet voor wat mensen van mij denken. Als ik een stuk schrijf, of een advies geef aan een minister, dan concentreer ik me alleen nog maar op wat ik wil zeggen, ik vraag me niet af wat anderen willen horen. Op mijn bureau staat al jaren een kaartje met de spreuk: The first and great commandment is: don't let them scare you.
Het leerling-zijn betekent voor mij trouwens ook dat ik mijn ouders in een ander daglicht ben gaan stellen. Ik ben gaan zoeken naar de elementen die wél goed waren aan mijn opvoeding. Waar ik mijn ouders bijvoorbeeld heel dankbaar voor ben, is dat ze, ondanks alle problemen die ze in hun huwelijk hadden, hun relatie toch redelijk overeind hebben weten te houden, nooit gescheiden zijn, en daarmee die club van elf bij elkaar hebben gehouden. Dankzij hun voorbeeld hebben de kinderen uit dat gezin goede partnerrelaties opgebouwd. Ikzelf ook. Ik ben al veertig jaar met Nelly.'

   
 

Waar geloof je in?

In drie dingen. Nummer 1 is schoonheid. Aan het Meer van Lugano sprak ik een keer een man die zijn vrouw was kwijtgeraakt. Wilde hij nog blijven leven na dat enorme verlies? Hij wees naar het prachtige panorama voor ons en zei: "Zo lang ik nog schoonheid kan beleven, wil ik leven." Als ik iets moois zie, of ik zie een fraai stuk techniek, of een mooi mens, dan ervaar ik van binnen een soort rimpeling, een emotioneel golfje. Schoonheid-op-zichzelf is een waarde om voor te blijven leven.
Nummer 2 is God. Of liever gezegd: het religieuze. Ik voel me verbonden met iets groters. De wereld is er niet voor mij, hij is niet voor mij gemaakt, en ik ben niet het laatste belang. Ik ben er een passant, een gast. En heb me als zodanig te gedragen. Dat besef is uitermate belangrijk voor de overleving van mens en planeet. We moeten ons inzetten voor de bescherming van de aarde en alles van natuurlijke waarde. We mogen daar alleen van gebruiken wat we echt nodig hebben, niet meer. Nu bevredigen we nog al te vaak onze eigen wensen ten koste van het huidige en toekomstige milieu. Dat is letterlijk en figuurlijk "goddeloos" gedrag.
Het derde waar ik in geloof, is langzaamheid: het vermogen en de noodzaak om dingen langzaam te doen. Ik zie veel mensen om me heen – en dat gold voor mij heel lang - die snel eten, snel praten, snel fietsen, snel vrijen. Mensen willen snelle psychotherapie, wetenschappers doen snel even een onderzoekje, justitie wil snel een zaak oplossen. De meeste fouten die we maken, komen voort uit het feit dat we niet langzaam genoeg zijn.'

   
 

Wat was een keerpunt?

`Nee, mijn affaire heeft niet de eer "het keerpunt" te zijn. Een cruciaal keerpunt heb ik al ervaren op mijn elfde. Ze vonden mij op de katholieke lagere school in Sneek een slimme leerling en ze zochten slimme seminaristjes, dus moest ik naar het seminarie, heel ver weg, in Sint-Oedenrode. Van het ene op het andere moment werd ik uit het gezin weggeplukt. Slechts één keer in de zoveel maanden mocht ik een paar weken naar huis. Als je in zo'n situatie wilt overleven, moet je innerlijk iets doorsnijden: ik verbrak de band met thuis, met mijn ouders, maar vooral ook met mijn lievelingsbroer en mijn enige zus. In plaats daarvan ging ik me hechten aan passanten in mijn leven, priesters en medeseminaristen. Veel te vroeg raakte ik los van mijn basis. Toen ik vier jaar later weer thuis kwam wonen, hoorde ik er niet meer bij. Ik ontpopte me tot een nog grotere rebel dan ik al was geweest. Als kleine jongen was ik al niet zo gedwee. Wanneer ik naar boven werd gestuurd, ging ik niet altijd zitten wachten op de straf van mijn vader: soms klom ik uit het raam en smeerde hem via de dakgoot en de regenpijp.
Tijdens mijn opleiding tot psycholoog zette ik me ook dikwijls af tegen wat gangbaar was. Ik had voor mijn studie ruim een jaar in een psychiatrische inrichting gewerkt. Toen ik de docenten in Nijmegen hoorde praten, dacht ik: ze weten echt niks van de praktijk, ze zitten alleen maar met hun arrogante neus in de boeken en zijn vooral met zichzelf bezig. Ik heb toen besloten dat ik mijn eigen psychologie moest maken: ik wilde dat alles wat ik publiceerde, betekenis had voor het alledaagse leven van mensen. Alleen dan stelde het echt wat voor. Veel mensen uit de wetenschap hebben mij het later heel erg kwalijk genomen dat ik deed alsof hoogleraar zijn niets bijzonders is. Maar dat vind ik dus echt. Nog steeds.'

   
 

Wat zou je willen veranderen?

`Wat ik in de gaten moet blijven houden, is de balans in mijn leven. Als ik niet uitkijk, ga ik zo op in het schrijven, dat ik me dagenlang opsluit in mijn werkkamer.'

   
 

Hoe is het om ouder te worden?

`Het lastige van ouder worden is dat ik op bepaalde momenten besef dat de dood dichterbij komt. Ik heb er best vrede mee dat je ooit doodgaat, en ik ben ook niet meer echt bang voor het stervensproces. Maar ik vind het leven zo leuk! Echt heel leuk. Ik hoef niet eeuwig te leven, maar ik zou graag zelf een beetje de lengte willen bepalen. Honderdvijftien lijkt me wel wat. Ik kan vaak met genoegen naar oude mensen kijken: sommigen hebben een prachtige verstandhouding met het leven opgebouwd. Growing old grace fully, dat wil ik ook.
Maar hoe ouder ik word, hoe vaker ik naar begrafenissen ga. Dan begin ik te denken: stel dat ik Nelly verlies - dat zou ik dus echt een ontzettende ramp vinden. Alle andere nare dingen die zijn gebeurd of nog kunnen gebeuren, vallen daar volstrekt bij in het niet. Op zich hoeft leegte in je leven niet bedreigend te zijn, het kan juist ruimte scheppen voor iets nieuws, maar dat geldt niet voor deze liefde. Ik wil gewoon geen andere vrouw meer. Nelly en ik zijn veertig jaar bij elkaar, dan schaaf je aan elkaars karakter, het is een soort ruwe edelsteen die je in de loop der jaren over en weer bewerkt. Geleidelijk ontstaan er patronen van interactie, van onuitgesproken begrip, en die zijn zo waardevol dat je weet: ik zou niet de tijd noch de motivatie hebben om dat nog een keer met iemand anders te doen. Deze liefde is een eenmalig, uniek kunstwerk. Ik zou het verschrikkelijk vinden als dat op één dag verbrijzeld zou worden.
Of stel dat ik doodga, en Nelly blijft leven, dat zou voor háár vreselijk zijn. Dan stel ik mij haar voor, hier zittend, en ik weet hoe verdrietig ze soms kan zijn: helemaal stuk van verdriet. Dan denk ik: verdomme, daar kan ik dan dus he-le-maal niets aan doen, dat wil ik niet, dat mag niet! Soms zeggen we wel eens tegen elkaar: kunnen we niet samen doodgaan? Een collega van mij heeft dat ooit gedaan met zijn vrouw. Maar we hebben kinderen, en dat zijn dingen die je niet zonder overleg met hen doet.'

   
 

Wat heb je geleerd van de liefde?

`Liefde is een project. Je moet investeren in elkaars persoonlijke ontwikkeling. De wijze waarop je elkaar daarin stimuleert, is beslissend voor het lot van je relatie. Nelly had bijvoorbeeld geen universitaire studie gedaan, en toen mijn wetenschappelijke carrière zo snel ging, zei ik ooit tegen haar: "Dat verschil tussen ons is niet goed, ik wil graag dat jij je ook op dat vlak ontwikkelt." Zij wilde dat wel, maar was bang dat ze het niet kon. Ik heb haar gestimuleerd en gesteund waar ik maar kon. In háár belang, en daarom dus ook uit eigenbelang. Uiteindelijk heeft het haar heel veel zelfvertrouwen opgeleverd. Ik weet nog hoe zij hier in huis op een stoel stond en werd toegezongen door haar medestudenten, omdat ze meester in de rechten was geworden. Dat was werkelijk de meest trotse dag van mijn leven.'

 
  Hieronder links naar boekbeschrijvingen over zelfdoding, angst, liefde en emoties: