Arnold Heumakers schrijft in het NRC op 10 december 2004 over het boek van Safranski. Om een goede biografie te schrijven is een zeker kameleontisch vermogen vereist: je moet je kunnen verplaatsen in de gedachtewereld van een ander, ook al ben je het misschien niet met hem eens. Rudiger Safranski, biograaf van onder anderen Schopenhauer, Heidegger en - meest recent- Schiller, beschikt als geen ander over dat vermogen. Voeg daarbij zijn niet geringe didactische gaven plus een meeslepende stijl, en we benaderen de ideale biograaf, iemand die er steeds weer in slaagt ingewikkelde levens en nog ingewikkelder denkwerelden voor de lezer te ontsluiten.
Zijn eigen ideeën houdt Safranski gewoonlijk op de achtergrond, ze lichten hooguit op in een ironische wending, een relativerend commentaar, een zelden opzichtig laat staan opdringerig voorbehoud. Toch zijn die eigen ideeën niet van belang ontbloot. Omdat ze onwillekeurig de interpretatie beïnvloeden, zou je ze graag willen kennen. Bij Safranski kan dat via Wie viel Wahrheit braucht der Mensch? (Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?), een boek uit 1990, waarvan pas nu een - goed leesbare - Nederlandse vertaling is verschenen.
De meeste aandacht gaat ook ditmaal uit naar anderen, maar er is wel een duidelijke eigen vraagstelling, die de verschillende hoofdstukken of essays soepel met elkaar verbindt. `Over het denkbare en het leefbare', luidt de ondertitel. Hoe tussen die beide het juiste evenwicht te vinden? Dat wordt de inzet van de `levenskunst', waarvan Safranski aan de hand van voorbeelden uit de geschiedenis van filosofie en literatuur de contouren schetst.
De vraag naar de waarheid ontstaat doordat de mens niet volledig met de wereld en met zichzelf samenvalt; er is altijd een onderscheid tussen ik en de wereld, bewustzijn en zijn, binnen en buiten. Door op zoek te gaan naar de waarheid over de wereld en onszelf hopen we de verloren eenheid te herstellen, zij het op een ander, bewust niveau: die verlangde eenheid keert terug als kennis, als iets dat we aan onze eigen inspanning te danken hebben. Net als die schilder uit een bekend Chinese verhaal zouden we in ons eigen schilderij willen verdwijnen, oppert Safranski.
Dat kan op verschillende manieren. Bijna letterlijk gebeurt het bij Rousseau, Kleist en Nietzsche. Zich verzettend tegen de rest van de wereld, hebben zij hun leven geheel laten bepalen door hun eigen denkbeelden. De meest verrassende in dit verband is Kleist, die de waarheid in zijn dichterschap zocht en van zijn met een vriendin gedeelde zelfmoord zijn ultieme kunstwerk maakte. Maar alle drie, en dat is Safranski's pointe, eindigden zij met het tegendeel van waar zij op uit waren geweest: isolement, waanzin en dood. Voor anderen en dus voor een echt deelnemen aan de wereld was bij hen geen plaats, omdat zij te zeer van zichzelf vervuld waren.
Om dezelfde reden hadden zij geen boodschap aan de traditionele metafysica, die Safranski vervolgens in vogelvlucht (te beginnen met Socrates) bespreekt. In de metafysica staat immers niet het eigen ik voorop, maar de wereld van de geest waarvan het ik hoogstens deel uitmaakt. Metafysici zijn altijd op zoek naar een hogere of diepere waarheid onder, achter of boven de subjectieve en zintuiglijke ervaring. Maar de geschiedenis van de metafysica laat zien dat dit zoeken zichzelf op den duur onmogelijk maakte, met Kant als de grote stoorzender. Hij legde de nadruk op het `mysterie' van de menselijke vrijheid in een verder volledig gedetermineerde wereld. En met deze vrijheid hebben we nog steeds te maken.
Zo wordt langzaam maar zeker duidelijk waar Safranski ons wil hebben, zeker nadat het nazi-totalitarisme is behandeld als een `pervertering' van de metafysische traditie, waarin de verlangde eenheid tot stand moest komen via de fysieke vernietiging van al het andere en vreemde. De acceptatie daarvan, zowel binnen als buiten onszelf, hoort juist bij de `hachelijke waardigheid van de mens', aldus Safranski.
In een fraai essay over Kafka verkent hij de positie van de zelfbewuste vreemdeling en buitenstaander. Wat we van Kafka, de antimetafysicus bij uitstek, kunnen leren is dat onze vrijheid niet afhangt van de waarheid die we vinden, maar dat het juist onze vrijheid is waaraan we onze waarheid te danken hebben. Anders gezegd: waarheid vind je niet, waarheid vind je uit.
En dan komen we terecht bij een inmiddels vertrouwd aandoend, maar in 1990 misschien nog verrassend 'waarheidsrelativisme', waarvoor alle geloof in absolute waarheden een uiting is van `angst voor de vrijheid'. Wie we zijn, wat onze waarheid is, dat moeten we zelf bepalen. Maar consequent hoeven we niet te zijn: het is niet nodig dat alles wat we bedenken per se in daden wordt omgezet. Liever niet zelfs, omdat anders de vrijheid van onze medemensen om zichzelf op hun beurt te bepalen in gevaar kan komen.
De bescherming van die vrijheid is daarom de enige `waarheid' die Safranski de politiek wil toevertrouwen. Dat betekent dat de in principe ongelimiteerde vrijheid van het individu naar het privédomein wordt verbannen, oftewel naar wat Safranski de `culturele waarheidssfeer' noemt (waar men mag denken, geloven en fantaseren wat men wil) tegenover de `politieke waarheidssfeer'. Uit het gescheiden-houden van die twee sferen bestaat de `levenskunst' die hij zijn lezers aanbeveelt.
Het is een klassiek liberale houding, gestoken in een postmodern jasje waarvan de onderdelen herinneren aan Lyotard, Rorty, Marquard en Enzensberger, ook al wordt geen van hen met name genoemd. Of het nog altijd overal even goed past, is de vraag (wat te doen als iemand principieel niet bereid is zijn zelfbepaling tot de private `culturele waarheidssfeer' te beperken en dat met grof geweld laat merken?). Maar een biograaf die zich moet verdiepen in diverse andere levens en vreemde gedachtespinsels, kan zich geen betere houding wensen.