De Gezondheidsraad heeft het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) officieel erkend als ziekte, zij het zonder aantoonbaar fysiek substraat. Maar een remedie bestaat wel: cognitieve gedragstherapie - die kan bogen op zeventig procent succeskans. Patiënten worden dus erkend, maar in één moeite door worden ze verwezen naar de psycholoog, wat niets anders kan betekenen dan de aloude opvatting 'het zit tussen de oren'. Het is dan ook een beetje laffe manoeuvre om te zeggen: "We kunnen CVS niet wetenschappelijk vaststellen, maar het bestaat wel als iets onafhankelijks." Vermoeidheid zonder oorzaak bestaat niet, net zo min als bloed het lichaam kan verlaten zonder oorzaak.

Beatrijs Ritsema schrijft in HP/de Tijd in de column doen & laten op 11 februari 2005.

ME vertoont alle kenmerken van een modeziekte. De geschiedenis van de 'grande hystérie' rond 1880 in Parijs vormt nog steeds een leerzaam model.

Het vermoeidheidssyndroom verdwijnt vanzelf als we over ophouden, aldus vrouwenarts Cees Renckens in Trouw 12 februari 2005

Meer .......

CVS-patiënten hunkeren naar een fysieke oorsprong voor hun kwaal, want dat pleit de geest vrij. Mensen met onverklaarbare ziektes staan altijd afwijzend tegenover het idee dat het lichaam door de geest beïnvloed zou kunnen worden. Vreemd genoeg hebben mensen met een overduidelijk lichamelijke aandoening als kanker daar minder bezwaar tegen. Ter bespoediging van de genezing mogen patiënten (en de artsen en familieleden) graag metaforen gebruiken als: 'positief denken', 'vechten tegen', 'mentale weerbaarheid', 'wilskracht'. Kennelijk maakt het dan ineens wel uit wat er tussen de oren zit.
De relatie tussen lichaam en geest is ingewikkeld, omdat ze allebei sturend kunnen werken. In het algemeen doet het lichaam het als chauffeur beter dan de geest. Het lichaam volgt z'n door de natuur ingegeven impulsen en hanteert daarbij nogal brede marges. Als je moe bent, ga je slapen, en daarna ben je ook weer uitgerust. De geest kan wel wat bijsturen ('Niet te veel drinken, jij daar!' 'Nu tegen die berg op, doorgaan!' `Op tijd naar bed!'), maar moet zich er verder niet te veel mee bemoeien. Als de geest breeduit op de chauffeursplaats plaatsneemt, gaat-ie rommelen met de drempels om iets afwijkends waar te nemen. Die worden ofwel te hoog ofwel te laag. Een te lage drempel kan ontstaan wanneer je jonge kinderen die zeurderig of hangerig zijn indringend vraagt of ze misschien buikpijn hebben. Als ze deze suggestie bevestigen (die vervolgens tot vertroeteling blijkt te leiden), gaat het begrip buikpijn al snel deel uitmaken van het repertoire van termen om jezelf te beschrijven. Een peuter die het woord buikpijn niet kent, zal het niet gebruiken voor een vaag gevoel van onbehagen. Als hij er uit zichzelf mee komt, heeft-ie ook echt buikpijn.
Een te hoge drempel ontstaat wanneer iemand de signalen van het lichaam heel lang negeert. Met gestapelde vermoeidheid krijg je dan burn-out. Het vervelende van een te lage of te hoge drempel voor vermoeidheid is dat uitrusten niet (meer) werkt. De patiënt zal geheel nieuwe drempels moeten installeren, wat in het ene geval betekent: niet meer aan elk signaaltje van het lichaam waarde hechten, en in het andere geval: juist wel de signalen van het lichaam herkennen. De beste manier om dat te doen, is door zonder veel na te denken routinematig te leven.

Klik hier voor alle boeken van Beatrijs Ritsema.